home | Inloggen
Aantal schrijvers: 535 | Aantal boeken:

15559

Walravens, Jan

Maakt deel uit van: ,

Jan Walravens

Anderlecht, 7 augustus 1920 – Ukkel, 25 juni 1965

Walravens 0 1952, Poëziedagen te Merendree

Romancier, essayist en theaterman.

Hij stichtte het experimentele tijdschrift ‘Tijd en Mens’ (1949-1955) en lag mee aan de basis van het theatervernieuwende  Kamertoneel (1953-1957 Was  één van de bezielende bestuursleden van de modernistische kunstkring Celbeton te Dendermonde.

Naast zijn grote rol in het tot stand komen van Tijd en Mens is Walravens ook van betekenis voor het doordringen van het existentialisme in Vlaanderen. Vooral de variant van Sartre en De Beauvoir.

Zijn verdienste voor de literatuur ligt vooral in zijn activiteit als theoreticus voor een hele nieuwe generatie in de Vlaamse letteren.

BIOGRAFIE

7 augustus 1920: Geboren als Frans Johannes Walravens in Anderlecht geboren als enige kind van een drukker.

  • Zijn vader, Corneille Frans Walravens was een drukker en amateur schilder die twaalf jaar academie had gevolgd en dol was op het impressionisme. Ook voor literatuur had hij veel belangstelling, hij las vooral Zola en Tolstoy. Zijn moeder –die 24 jaar jonger was dan zijn vader- was Françoise Jeanne Dognie, een stikster in een confectiezaak voor regenmantels, die soms ook werkte als huishoudster bij kleine burgers.
  • Nog geen jaar na hun huwelijk werd Jan Walravens geboren.
  • Aanvankelijk liep Jan Walravens school in het St.-Jozefinstituut te Anderlecht. Na een ziekte kwam hij in dezelfde klas terecht als de latere dichter Albert Bontridder en de latere beeldhouwer Florent Welles. Tot aan het einde van zijn leven zouden zij vrienden blijven.

1933: Jan Walravens werd door een ziekte aan de ogen getroffen en was gedurende zes weken blind.

  • Deze ziekte was één van de twee belangrijke zaken in zijn leven die richtingbepalend bleken.
  • De ziekte bleek een keerpunt: “Angstige en exalterende tijd, ik leerde de vrees, de pijn maar ook de slaap, de droom en mijn echte ambitie kennen”.
  • Na zijn genezing wilde hij zijn studies niet meer verder zetten.
  • In de bibliotheek van het Willemsfonds leende hij boeken, zogezegd voor zijn vader, en las aldus Tolstoj, Buysse, Oedipus en Zola.

Het andere invloedrijke punt was zijn vriendschap met twee jongens die hij op het Atheneum van Anderlecht als klasgenoten had leren kennen: de later met Cobra geassocieerde beeldhouwer Florent Wellens en de latere dichter Albert Bontridder, beiden toekomstige groepsleden van Tijd en Mens.

1934: Zijn vader begon een kleine tijdschriftenzaak in Anderlecht. Walravens junior, die veel las, had meteen de gelegenheid om op de hoogte te blijven van actuele kunsttijdschriften en literaire bladen.

  • Zijn jeugdvriend Albert Bontridder zegt hierover; “De voedingsbodem voor de literaire nieuwsgierigheden van Jan was de dagbladwinkel van zijn ouders. Hij verslond als het ware alle artistieke en letterkundige kronieken van de toen verschijnende dag- en weekbladen, deze van Marnix Gijsen en Urbain van de Voorde, de ‘boekuil’ van Herreman, maar ook en misschien voornamelijk de kronieken van de Franse bladen, waaronder deze van Robert Poulet en André Rousseau.”

1933-1937: Bezocht de academie te Anderlecht, waar hij de lessen in publiciteitstekenen volgde, maar toen hij zeventien was geworden, beslisten zijn ouders dat hij nu maar moest gaan werken. Hij werd bij een effectenmakelaar op de Brusselse beurs geplaatst, maar toonde weinig belangstelling voor het werk.

  • Curieuze ervaring van een speciaal Brussels milieu, waar men mij wel een origineel type vond maar waar ik toch niet geliefd was. Ik was er mmeer bezorgd om het vervolg van De Idioot te kennen dan om er aandelen te tellen, couponnummers na te zien, beursorders door te geven.”

1940: Duitse inval in België.

  • Juli 1943: werd opgevorderd om in Berlijn te gaan werken. Hij durfde niet onderduiken uit angst dat de Duitsers zijn 67-jarige vader zouden gijzelen.
    • In Berlijn maakte Jan de eerste bombardementen mee.
    • In de slecht verlichte schuilkelders van de brandende Duitse hoofdstad trachtte Jan Walravens L’être et le néant van Jean-Paul Sartre te ontcijferen, de auteur die hem het meest zou beïnvloeden.
    • Ook schreef hij er lange brieven vol theoretische beschouwingen over literatuur naar zijn vrienden Albert Bontridder en Florent Welles.
  • Half december 1943: kon naar België terugkeren dank zij een vals ziektebewijs van zijn vader. Bleef gedurende negen maanden ondergedoken.

4 september 1944: Daags na de bevrijding, wordt Walravens op voorspraak van Willem Pelemans journalist op de kunstredactie van Het Laatste Nieuws. Die job zal hij tot zijn vroege dood in 1965 blijven uitoefenen

  • Vanaf dat moment is hij niet alleen in staat het literaire nieuws te volgen, maar het ook mede te maken en te sturen.
  • Hij raakt in 1946 in de ban van vrijheid, individu en experiment om in 1948/’49 weer meer aandacht voor het surrealisme op te vatten. Vanuit die achtergrond staat hij open voor schrijvers uit de ‘generatie die niet door de professoren maar door de oorlog grootgebracht werd’.
  • Walravens had  vooral genoeg van de conservatieve Vlaamse letterkunde van zijn tijd. Het moest maar eens afgelopen zijn met de waardering voor restauratieve blaadjes als Tijdstroom van P.G. Buckinx en André Demedts, en met de quasi-bescheidenheid van ‘t Fonteintje, waarachter mannen als Richard Minne, Maurice Roelants, Karel Leroux en Raymond Herreman schuilgingen.
    • Walravens noemde ze ‘neoclassicistisch’ en prikte de bescheidenheid door: het was trouw aan een wereldbeeld waarin Ideeën de maatstaf aller dingen vormden. Tegen dat karikaturaal voorgestelde, verstikkend platonische wereldbeeld zette Walravens zich krachtig af: de kunst moest individualistisch zijn, irrationeel, niet van buiten de mens, maar vanuit de concrete mens.

11 augustus 1945: Huwde met Jeanne Adams. Zij zouden kort na elkaar drie kinderen hebben, een zoon Chris, en twee dochters, Else en An.

24 oktober 1945: Sartre geeft een lezing in Brussel een lezing, die beschouwd mag worden als try-out voor de geruchtmakende reeks voordrachten die in de herfst van dat jaar intellectueel Parijs op zijn kop zouden zetten.

Walravens is erbij als journalist.

  • Hoewel hij Sartres werk al kende, wordt hij nu definitief gegrepen door diens filosofie. Al snel groeit hij in Vlaanderen uit tot de grote promotor van dit Franse gedachtengoed.
  • Het is vooral de variant van Sartre en Simone De Beauvoir, in mindere mate het existentialisme van Albert Camus dat hij zal trachten in zijn kritische, essayistische en creatieve werk te verwerken.
  • Hij schreef uitvoerig over het existentialisme oa in Arsenaal, ‘Existentialisme’ (jg. 2 nr 9 (sept.), p. 300-306), en in De Vlaamse Gids, ‘Jean-Paul Sartre’, jg. 46 nr 8 (aug.), p. 513-522. Hij had tevens een heuse studie geschreven over het existentialisme, had die aan uitgeverij Manteau aangeboden, maar ze werd nooit gepubliceerd.

1947: Walravens vestigde medio 1947 definitief zijn reputatie als jonge literaire vernieuwer met twee lezingen die hij hield eentje op 26 mei op de Dagen van de Vlaamse Gids in Oost-Duinkerken en een tweede in augustus op de Poëziedagen in Merendree.

De Vlaamse Gids publiceerde deze teksten als “Nood. Over het gemis aan uitstraling van de jonge Vlaamse poëzie” (De Vlaamsche Gids, jrg. 31 nr 7, juli 1947, p. 407-411) en “De jonge poëzie in Vlaanderen”.

  • In zijn eerste lezing,  klaagde hij het gebrek aan horizonverruiming aan.
    • Van literaire en filosofische ontwikkelingen buiten Vlaanderen, concreet natuurlijk existentialisme en surrealisme, is niets geweten.
    • Als tweede doorn in het oog zag hij de nefaste invloed die ’t Fonteintje heeft gehad. Walravens pleit voor het belang van de concrete mens, en streeft niet zoals de fonteinisten (en anderen) naar de abstracte mens.

    “De Vlaamsche letterkunde zal eerst dan groot zijn, wanneer zij in eigen vormen, met eigen toestanden en eigen visie een antwoord zal weten te geven op de grote nood en de grote angst van deze tijd: eerst dan zal zij de wereld interesseren” (p. 410)

  • In zijn tweede lezing gaat Walravens nog een stap verder.
    • Hij gaf hier aan een concrete kentering te ontwaren in de jonge poëzie. Reeds kon hij voorbeelden geven van wat hij precies op het oog had.
    • Verder bleef ’t Fonteintje kop van Jut. In zijn kritiek wordt het meer en meer duidelijk dat het eeuwige van de klassicisten haaks staat op de concrete mens in zijn tijd.

Wie zijn nu de nieuwe beloften ?

Drie groepen noemde hij

1949: Na een eerder mislukte poging die Janus had moeten heten, richtte hij samen met Hugo Claus en Remy C. van de Kerckhove het tijdschrift Tijd en Mens (1949-1955) op, waarvan het eerste nummer in september 1949 verschijnt. Tussen 1949 en 1955 zullen uiteindelijk 23 nummers verschijnen.

  • Rond dit blad verzamelen zich de belangrijkste Vlaamse experimentele dichters: Hugo Claus, Albert Bontridder, Ben Cami en Marcel Wauters en de prozaïsten Maurice D´Haese en Louis Paul Boon.
  • Als coach van deze groep en als promotor van de experimentele poëzie is Walravens’ betekenis enorm. Hij kan als gangmaker en brein van de groep beschouwd worden in overleg met Hugo Claus en Remy C. van de Kerckhove (de organisatorisch sterkere oprichter en degene die het blad financierbaar kreeg).
  • Het blad bood ook plaats aan plastisch en literair werk van beeldende kunstenaars uit de hoek van (voorheen) La Jeune Peinture Belge en Cobra.
  • Tenslotte was in het blad ook voor het theater een bescheiden, maar toch niet onbelangrijke, rol weggelegd.

Tijd en Mens’ heeft tijdens zijn bestaan zijn rol als katalisator en smeltkroes van nieuwe ideeën ruimschoots vervuld. Rond 1955 zullen tijdschriften als De Meridiaan (1951-1960), De Tafelronde (1953-1981), Taptoe (1953-1955), Gard Sivik (1955-1964) en het Cahier (1954-1970) de confrontatie met het modernistische gedachtengoed verderzetten.

1951: Debuteert als romancier met de ‘Roerloos aan zee’ dat nog lijdt onder een al te abstract uitgewerkt schema.

Nog in 1951 richt hij samen met Bert Perloor en Staf Knop het Kamertoneel (1953-1957) op.

Met deze groep zou hij baanbrekend werk in Vlaanderen verrichten:

  • Zij brachten in 1953 de eerste eenakter, Getuigen, van de nog onbekende Hugo Claus creëren, evenals Boy, het enige toneelspel van Gaston Burssens.
  • Bij deze groep werden ook schilders betrokken, die toen nog onbekend waren, maar sedertdien grote faam hebben verworven, zoals Jan Cox, die de decors schilderde, Serge Vandercam en Pierre Alechinsky.
  • Ook verleenden Fred Engelen, Jo Dua en Lode Verstraeten, die later naam zouden maken in de Vlaamse toneelwereld, hun medewerking.
  • Voor de eerste maal bracht deze groep in Vlaanderen werk van internationale toneelvernieuwers als Samuel Beckett, Eugène Ionesco en Arthur Adamov.
  • Vooral te Brussel verrichtte het Kamertoneel baanbrekend werk, maar het trad ook op in verscheidene steden van Vlaanderen, evenals in Nederland.

Het Kamertoneel stak definitief van wal op 4, 5 en 6 november 1953 in de kleine zaal van het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel. Toen werden drie eenakters gespeeld: Gelijk wij zijn geweest van Arthur Adamov, Getuigen van Hugo Claus en Met gesloten deuren van Jean-Paul Sartre. Deze laatste eenakter werd door Jan zelf voor deze gelegenheid vertaald. Dit programma sloeg in als een bom in de Vlaamse toneelwereld. De traditionele kritiek trok heftig van leer, maar een jong publiek was geestdriftig. Nadien werden ook stukken van Tone Brulin gecreëerd.

1955: Vestigt zijn naam als  poëzietheoreticus met de door hem samengestelde en ingeleide bloemlezing experimentele poëzie ‘Waar is de eerste morgen?’.

  • Niet zelden wordt hij de Vlaamse Paul Rodenko genoemd, de man die op vergelijkbare wijze de theoreticus van de Nederlandse experimentelen was en die al in 1951 de verzamelbundel Nieuwe griffels, schone leien met werk van de experimentelen had samengesteld en ingeleid.

Zomer 1955: Het Kamertoneel werd , na krap twee speelseizoenen ontbonden, ongeveer gelijktijdig met Tijd en Mens.

  • Zijn hele leven bleef hij overigens serieus toneel schrijven. Tussen zijn allervroegste manuscripten bevinden zich al meerdere toneelteksten, maar ook uit zijn literair volwassen periode zijn enkele complete stukken bewaard. Er is echter nooit iets van hem opgevoerd.

1958: Publicatie van een tweede roman Negatief (1958) dat in de Nederlandse literatuur een van de interessantste verwerkingen van het existentialisme à la Sartre is. De roman werd bekroond met de Leo J. Krijnprijs, de prijs die reeds eerder aan zijn vrienden Louis Paul Boon en Hugo Claus was toegekend.

Walravens was intussen een prominente figuur in de Belgische kunst- en literatuurwereld geworden.

  • Zo was hij o.m. correspondent voor De Groene Amsterdammer en medewerker aan Het Nieuwe Boek en Kunst van Nu. Hij was redacteur van de tijdschriften Kroniek van Kunst en Kultuur en Het Toneel. Ook werkte hij geregeld mee aan literaire en artistieke uitzendingen van de Vlaamse radio en televisie, o.m. aan het bekende tv-programma ‘Vergeet niet te lezen’, waarin hij auteurs interviewde over hun pas verschenen werk.
  • Hij was tevens bestuurslid van de Brusselse afdeling van het Willemsfonds, leraar aan het Persinstituut te Brussel, lid van verscheidene commissies en jury’s en gaf nog talrijke voordrachten in Vlaanderen en Nederland. Hij was een zeer goed spreker, die met overtuiging uiteenzettingen over literatuur en kunst kon houden en zijn geestdrift aan het publiek kon mededelen.
  • Met Gaston Burssens was hij ook één van de bezielende bestuursleden van de modernistische kunstkring Celbeton te Dendermonde. Niet alleen had hij ontelbare contacten in Vlaanderen en Nederland, maar hij was ook een graag geziene figuur in de kringen van franstalige dichters. Hij publiceerde in Le Journal des Poètes. Hij was ten slotte nog vice-president van de Belgische afdeling van de Internationale Vereniging van Kunstcritici, zetelde in het inrichtend comité van de Internationale Poëziebiënnale te Knokke en was bestuurslid van het Vlaamse pen-centrum.
  • Een van zijn nieuwe activiteiten was intussen zijn werk voor kunst- en cultuurprogramma’s op de televisie. Conform de toenmalige gewoonte verliepen dergelijke, in één keer opgenomen, uitzendingen aan de hand van een gedetailleerd draaiboek, met nauwkeurige decor- en regieaanwijzingen, en een voorgeschreven tekstscenario voor presentatoren en gasten. Van dergelijke (meestal tamelijk korte) scripts heeft Walravens er enkele tientallen geschreven.

Februari 1960: Op uitnodiging van de Unesco maakte hij voor zijn krant een reis naar Egypte naar aanleiding van de campagne om het behoud van de tempels van Aboe-Simbel. Toen hij terug kwam, bleek hij  hevige koorts te hebben.

1962: Werd ernstig ziek. Het was een geheimzinnige ziekte, waarover de geneesheren zich niet konden of wilden uitspreken. Zijn ziekteverlof, dat aanvankelijk voor een paar weken was voorzien, werd verlengd tot enkele maanden.

25 juni 1965: Overlijdt in het St.-Elisabethziekenhuis te Ukkel.

Waardering

Boon over Walravens:  ‘Hij was onze chef, onze aanvoerder, onze kapitein van de bende. Wij schreven zomaar wat, Hugo Claus, Maurice D’Haese en ik. En wij maakten verzen, Bontridder, Cami en Wauters. Maar Jan wist wat wij ermee bedoelden. Jan gaf het vorm en inhoud en zin. Als iemand onze literatuur veranderd heeft, dan moet hij daar verantwoordelijk voor gesteld.

En dat is toch niet niks, als die eer je toegeschreven wordt door een vriend die ook nog eens een van ‘s lands grootste schrijvers is.

MEER OVER J. WALRAVENS

  • Facetten van Jan Walravens / Met medewerking van Jaak Brouwers, Tone Brulin pseud. v. Antoon van den Eynde, Ben Cami… ; voorafgegaan door enkele teksten van Jan Walravens zelf en geïllustreerd met tientallen foto’s. Brussel, 1966. Bijzondere uitgave van De Vlaamse Gids ; jaarg. 1966, nrs 3 & 4. -119p.
  • Paul de Wispelaere: Jan Walravens (1974) Monografieën over de Vlaamse Letterkunde. Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur en Uitgeverij Helios, Antwerpen.
  • Van Walravens weg (1976). Onder redactie van Luk de Vos. Gent: RUG. -299p.
  • Jos Joosten: Jan Walravens (1996) Jan Walravens
  • Bernaerts Lars, Vandevoorde Hans, Vervaeck Bart, Jan Walravens en het experiment, SEL-reeks, Academia Press Gent (2011)

 

GERAADPLEEGDE BRONNEN

Websites

Referenties

SMAAKMAKER

DIEVEN EN INBREKERS

Ik hield van dieven en inbrekers. En van dat soort uitgeschopten bezit ik een groot aantal foto’s, krantenknipsels en tekeningen. Enkel dier afbeeldingen prijkten aan de muur van mijn werkkamer, ordeloos maar indrukwekkend uitgestald. Andere zaten vastgespijkerd tegen de binnenzijde van de deur van mijn hoge smalle boekenkast. Telkens wanneer ik een boek of een likeurfles onderaan uit de kast nam, werd mijn verbeelding gedurende enkele seconden op het noodlot van de vogelvrijverklaarden geconcentreerd: op hun roekeloze blik, hun onverzorgd uiterlijk, hun beaderde handen; en dan steeg mij een gevoel van wellust naar de kop, alsof ik mij op alle gebied met hen verwant voelde, het gebeurde mij zelf, dat ik als en zwakzinnig over hun doffe wangen wreef, zacht-glimlachend om mijn droom-onmaatschappelijkheid.
Hield ik van stelen ? Zeker en vast niet. Had ik ooit aan huis het nachtelijk bezoek ontvangen van een dier zozeer beminde dieven, ik zou zenuwachtig en verontwaardigd als een gewone burger in de roze ochtend naar het politiebureau gelopen zijn. Ik zou vrekkig mijn verlies nageteld hebben en gedurende vele dagen over de diefstal gezeurd. Maar daarom hield ik ook alleen van de dieven in mijn droom. Ik hield van hun karakter en hun beroep of van wat ik in het algemeen hun meta-physiek noemde. Weer ging het hier volstrekt niet om het nadeel, dat zij hun medemensen berokkenden, maar om het geheel van hun verschijning en om datgene wat zij betekenden in de samenleving… Zij waren als boze aardmannetjes die ’s nachts langs opengebroken deuren en verbrijzelde vensters in de stilte der woningen drongen en daar de vaststaande orde der dingen een wilde en brutale stoot gaven. Zij wentelden de wereld om, vermits zij op onlogische wijze het eeuwige bezit van rechts naar links deden overslaan. Waar zij voorbijgekomen waren, was de hiërarchie van het geld verbroken. Zij hadden een operatie verricht, die door geen enkele bank kon uitgevoerd worden. En ook met de noeste arbeid van jaren hielden zij geen rekening : zich zonder scrupules toeëigenende wat hen slechts toebehoorde omdat zij het gestolen hadden.

Uit: Roerloos aan zee. 1951.

BIBLIOGRAFIE

Woordje vooraf

De bibliografie bestaat uit 2 delen:

A. Uitgaven in boekvorm
B. Artikels (een selectie)

De gegevens van de bibliografie werden onder meer nagekeken bij

  • Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience – Antwerpen.
  • Koninklijke Bibliotheek van België – Brussel / Bibliothèque Royale de Belgique – Bruxelles.
  • Piet Devos: Van reuzen tot dwergen. Bibliografie – Vlaamse schrijvers in de 20ste eeuw – Eerste drukken. Kortrijk, eigen beheer 2007

Om de foto’s in de fotogalerij te vergroten klik op de foto

Chronologisch overzicht

A. Uitgaven in boekvorm

Jaar Titel Fotogalerij Uitgeverij 1ste druk
1949 Valerius De Saedeleer. (essay) Antwerpen: De Sikkel. -15p.
Reeks: Monographieën over Belgische kunst. – vol. 3: 9
1950 Jan Vaerten. (essay) Brussel: Les Arts graphiques  / Antwerpen: De Sikkel. – z.p. (+/- 64 p).
1950 De schim van Memling. (essay)
Samen met Remy C. Van de Kerckhove
Antwerpen: De Sikkel. – z.p.
1951 Phenomenologie van de moderne poëzie. (essay)
Illustraties van Paul Klee.
Schaarbeek: Tijd en Mens. -48p.
1951 Roerloos aan zee. (roman)
Omslagontwerp: Jozef Cantré
Antwerpen: De Sikkel. – 282 p.
Afmetingen: 21 x 15.50
Gebonden met stofomslag
1951 Valerius de Saedeleer. (essay) Antwerpen: De Sikkel. 1949., [26] p. pl.
Reeks: Monographieën over Belgische kunst. Derde reeks ; 9
1952 Felix De Boeck. (essay) Antwerpen: De Sikkel. -52p.
1952 Mislukt in de morgen.
1953 Gaston Bertrand. (essay)
Met originele litho.
Gent : Snoeck-Ducaju & zoon. -12p.
1955 Schrijversalmanak voor het jaar 1955.
Samengesteld door Bert Schierbeek en Jan Walravens.
Amsterdam: C.P.J. van der Peet. -248p.
1955 Waar is de eerste morgen? : De jonge experimentele poëzie in Vlaanderen. (bloemlezing)
Samengesteld door Jan Walravens.
Met foto’s van de schrijvers
Brussel: A. Manteau. – 95 p.
Afmetingen: 19.40 x 10.40 (ingenaaid)
Druk: N.V. Erasmus Ledeberg/Gent

 

1956 Cultuur van deze tijd Een reeks voordrachten door Jan Walravens (essay) Oudegem: Algemene Spaar- en Lijfrentekas.
1956 Schrijversalmanak voor het jaar 1956.
Samengesteld door Bert Schierbeek en Jan Walravens.
Amsterdam: C.P.J. van der Peet.
1957 Vijfde kolom. Jong Vlaams proza. (bloemlezing)
Samenstelling: Jan Walravens.
Omslagontwerp en typografie: Jeanette Kossmann
Brussel: Uitgeversmaatschappij A. Manteau. – 96 p.
Afmetingen: 19.25 x 10.50 (pocket)
Colofon: Vijde kolom werd in Maart 1957 gedrukt op de persen van de N.V. Drukkerij Erasmus te Ledeberg bij Gent in opdracht van A. Manteau N.V. Brussel
1958 Hier is Brussel. (essay)
Voor deze studie ontving hij in 1958 de A. Maxprijs.
Utrecht: A.W. Bruna & Zn. -190p.
Reeks: Zwarte beertjes. – Utrecht; vol. 124
1958 Negatief : een fictie. (roman)
Bekroond met de Leo J. Krijnprijs.
Brussel/Den Haag: A. Manteau. -203p.
Afmetingen: 19.50 x 13 (gebonden met stofomslag)
Colofon: Van deze oorspronkelijke uitgave van ‘Negatief’ door Jan Walravens werden 10 exemplaren op oudholldns papier Van Gelder gedrukt en getekend door de auteur.
1960 Gaston Burssens. (essay) Brussel: A. Manteau. – 48 p.
Reeks: Monografieën over Vlaamse letterkunde vol. 18
1960 Waar is de eerste morgen? : de jonge experimentele poëzie in Vlaanderen. (essay)
Tweede vermeerderde druk van 1955
Deze druk bevat ook Walravens tekst op p. 21-60: ‘Phenomenologie van de moderne poëzie’ eerder verschenen in Tijd en Mens (1950/51).
Brussel: A. Manteau. – 233 p.
Reeks: Ad Multos
1961 Hedendaagse schilderkunst in België. / Peinture contemporaine en Belgique. (essay) Antwerpen: Helios. – 74 p.
Reeks: Kunsten en wetenschappen. – Antwerpen; vol. 1 / Arts et sciences. – Anvers; vol. 1
1961 Soldatenbrieven. (proza en poëzie in briefvorm)

Te samen met Hugues C. Pernath • Paul Snoek •
Jan Walravens schreef de inleiding.
Proza, samen met H.C. Pernath
Voorwoord: Jan Walravens.
Omslag en typografie: Karel Beunis.
 Pernath 11 Antwerpen: Uitgeverij S.M. Ontwikkeling i s m Amsterdam: De Bezige Bij. -75p.

Reeks: Literaire pocket vol. 68.
Afmetingen:18 x 10.80 (pocket)
Druk: Bosch Utrecht
1961 De blaffende krekel. (verhaal) Michiels 26 Uit de bundel: Dertien Vlamingen. pp. 69-79.
Proza bijeengebracht en ingeleid door Ivo Michiels.
Uitgeverij De Bezige Bij Amsterdam/ Uitgeverij Ontwikkeling Antwerpen. -165p.
Afmetingen: 18 x 10.50 (pocket)
1962 Het avontuur van een bericht. (essay) Antwerpen: Uitgeverij “De Garve” p.v.b.a. – 79 p.
Reeks: Snelwegen naar cultuur (De Garve) ; 6
Afmetingen: 21.25 x 15
1962 Serge Vandercam. (catalogus)
Tentoonstelling. Paleis voor Schone Kunsten, Brussel, 17-28 februari 1962
Serge Vandercam ; tekst door Jan Walravens
Brussel: Paleis voor Schone Kunsten.
1963 Van Constant Permeke tot heden. De figuratieve schilderkunst in België. (essay)
Commentaar bij de platen: Jan Walravens.
Brussel: Cultura. – 24 p.
Reeks: Kunst in België. Vol 7
1964 Het portret sinds James Ensor.
Tentoonstelling: Sint-Adriaansabdij [Geraardsbergen]. 1964/08/09 – 1964/09/20
Geraardsbergen: Kunst- en Cultuurkring.
1964 Hoe porselein breekt. (verhaal)
1971: opgenomen in ‘Verzameld proza’ Uitgegeven door uitgeverij Paris-Manteau, Brussel.
1971: Tevens opgenomen in de bundel ’54 Vlaamse verhalen‘ Deel 3, samengesteld door Karel Jonckheere en Marnix Gijsen, Uitgeverij Paris-Manteau, Antwerpen pp 155-169.
1987:  opgenomen in de verhalenbundel “Voor de vrede uitbreekt. Vlaamse verhalen over de Tweede Wereldoorlog”, pp 146-164. Uitgeverij Hadewych, Schoten. Samenstelling: A.G. Christiaens.
In: F. de Bruyn, J. Romijn en O. Timmers (red.). Vandaag 10. Utrecht : Bruna. (1964).
1965 Felix De Boeck. (essay) Elsene : Editions Photogravure Tallon.
1965 Jan Biorix. (dagboek)
Dagboeknotities over de periode 1944-1965 van de Vlaamse letterkundige (1920-1965).
Omslag en typografie: Jan Verhaert
Nawoord: Adolf Merckx Maart ’65
1998: Heruitgegeven bij Uitgeverij Atlas
Brugge: De Galge, -216p.
Reeks: Galgeboekje vol. 1
Colofon: Jan Biorix is samengesteld uit enkele onuitgegeven dagboeknotitie’s en uit teksten die respectievelijk verschenen zijn in “De Vlaamse Gids” en “De Periscoop”. Het “in Memoriam Remy C. van de Kerckhove” werd op 3 januari 1958 voor de Vlaamse radio gelezen.
1965 Rudolf Meerbergen. (essay) Brussel: Meddens. – 16p.
Reeks: Monografieën over Belgische kunst vol 1965:2
POSTHUME UITGAVEN
1971 Verzameld proza.
Ingeleid door Louis Paul Boon.1971: Het verhaal ‘Hoe porselein breekt’ werd opgenomen in de bundel ’54 Vlaamse verhalen‘ Deel 3, samengesteld door Karel Jonckheere en Marnix Gijsen, Uitgeverij Paris-Manteau, Antwerpen pp 155-169.
Brussel: Paris-Manteau. -718p.
1998 Jan Biorix. (dagboek)
Met een inleiding van Jeroen Brouwers.
Omslagontwerp: Marjo Starink
Typografie: Arjzan Weerink.
Heruitgave van 1965
Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas. -207p.
Afmetingen: 21 x 13.50 (paperback)

.

b. Artikels (een selectie)

1945 ‘Geloovigen, leest André Gide.’ In: Arsenaal 1 (1945), 3 (mrt), p. 124-130.
1946 ‘Existentialisme’ In: Arsenaal 2 (1946), 9 (sept), p.300-306.
1946 ‘Jean-Paul Sartre’ In: De Vlaamse Gids 30, 8 (aug) pp.513-522. (1946).
1947 Nood. Over het gemis aan uitstraling van de jonge Vlaamse literatuur In: De Vlaamse Gids 32, p.407-411. (1947).
1947 ‘De jonge poëzie in Vlaanderen’ In: De Vlaamse Gids 31, (1947), 11 (nov), pp.407-411.
1948 ‘De schrijver en zijn tijd’ In: Belgica (1948), 1 (janvier/mars), 46-51 en 2 (avril/juin), 48-52.
1948 ‘Helden uit de achterbuurt’ In: De Vlaamse Gids; 32 (1948), 4 (april), pp. 226-233.
1949 ‘Het Brouwer-complex’ In twee delen gepubliceerd.
Deel1: Tijd en Mens 1 (1949/50), 1 (sep/okt), 20-24
Deel 2: Tijd en Mens 1 (1949/50), 2 (nov/dec), 71-77.
1949 ‘Ray Gilles’ In: Band, 8 (1949), 397-399
1951 ‘Phenomenologie van de moderne poëzie’ In: Tijd en Mens, 2 (1950/51), 8 (nov/dec), 295-320.
1952 ” Roerloos aan zee ” en het existentialisme. In: De Vlaamse Gids; 36e jg., nr 3, Maart, blz. 151-152
1952 ‘Ambassadeurs van de stilte’. In: De Vlaamse Gids; 36e jg. (952), 9 (sept), blz. 560-564.
1952 ‘Een nieuw hoofdstuk en een nieuwe bekommernis’. In: Tijd en Mens, 3 (1952), 4 (dec.), 290-294.
1953 ‘Anne Bonnet en de abstracte schilderkunst’. In: Bulletin / Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België [Brussel] – Brussel - 4, p. 169- 175
1953 ‘Opstandigheid, verrukkelijke arend’. In: De Vlaamse Gids, 37 (1953), 10 (okt.), 614-629.
1953 ‘Poésie moderne de langue flamande en Belgique’. In: Taptoe 2 (november 1953), z.p. (2-6)
1953 Van Ostaijen en de paradox van ’53’. In: Tijd en Mens, 4 (1953), 17 (dec.), 3-7.
1954 ‘L’exploration dans les lettres flamandes’ In: Tijd en Mens, 21/22, 5 (1954/55), 1/2 (oct.), 3-7
1955 Jean Dubuffet. In: Bulletin / Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België [Brussel] – Brussel – 4: 4, p. 253- 258
1955 ‘Vlaams en Frans toneel in België’. In: De Gids, 118 (1955), 8/9 (aug./sept.), 154-162.
1956 De kaartspelers. In: J. Romijn en F. de Bruyn (red.). Vandaag 4. Utrecht: Bruna. (1956).
1956 Criticus en kunstenaar. Repliek. Kunstenaar, Criticus en Andere Wereld. In: Critisch Bulletin 23, p. 106-112. (1956).
1957 Te weinig tijd. In: B. Voeten en M. Beck (red.). Schrijversalmanak voor het jaar 1957. Amterdam: C.P.J. van der Peet. (1957).
1958 ‘Remy van de Kerckhove’ In: Kroniek van Kunst en Kultuur, mei 1958, 112-116.
1958 ’50 jaar moderne kunst’ In: De Vlaamse Gids, 42 (1958), 6 (juni), 343-351; 7 (juli), 417-442; 8 (aug.) , 495-502.
1959 ‘Proza en experiment in de jonge Vlaamse literatuur’ In: De Vlaamse Gids, 43 (1959), 2 (feb.), 79-89.
1959 ‘De Vlaamse literatuur sinds 1940′. In: Eerste Nederlandse Systematisch Ingerichte Encyclopedie, dl. 11, Amsterdam 1959, 66-74.
1960 Karel Appel: beschouwingen bij het schilderij “Vliegende man” in het Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. In: Jaarboek van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. – Antwerpen – -, 1954/ 1960, -, p. 99- 105
1960 ‘De dood van Albert Camus’. In: De Vlaamse Gids, 44 (1960), 2 (feb.), 101-107.
1960 ‘Geschreven in Egypte…’ In: Kunstmeridiaan 6 (1960), 3/4 (april), 3-5.
1961 Reinhoud. In: Bulletin / Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België [Brussel] – Brussel – 10: 1/ 2, p. 69- 74
1961 De blaffende krekel. (verhaal) In: Ivo Michiels (red.). Dertien Vlamingen. Amsterdam: De Bezige Bij. (1961).
1961 ‘Florent Wellens’. In: Kroniek van Kunst en Kultuur. (1961) nr 3, 59-62.
1963 ‘In Vlaanderen is het experimentele uur voorbij’. In: Dietsche Warande en Belfort, 108 (1963), 505-508.
1964 Inleiding In: Het portret sinds James Ensor. Geeraardsbergen: Kunst en Kultuurkring. (1964).
1964 Hoe porselein breekt In: F. de Bruyn, J. Romijn en O. Timmers (red.). Vandaag 10. Utrecht : Bruna. (1964).
1964 ‘Boze mannen…10 jaar later’ In: De Vlaamse Gids, 48 (1964), 339-340.
1965 Het blauw van Pusiano.
(scenario van een opera voor Willem Pelemans)
In: F. de Bruyn en O. Timmers (red.). Vandaag 11. Utrecht: Bruna. (1965).
1965 De Slag bij Waterloo. In: Werk van nu. Brussel: Manteau. (1965).
1965 Woord vooraf. In: Herwig Leus (red.). Gesprek tussen een priester en een stervende en andere teksten van Donatien Alphonse Francois Marquis de Sade. Brugge: De Galge. (1965).
1965 Abstracte kunst in Vlaanderen in de Verzameling van de Bank van Parijs en de Nederlanden. In: Will van Sambeek (red.). Abstracte kunst in Vlaanderen. Eindhoven: Lecturis. (1965).