Maakt deel uit van: post expressionisten
Pieter Buckinx
1903 – 1987
Eig. Pieter Geert, Vlaams dichter en essayist (Kortessem 6.2.1903 – Jette 21.1.1987). Schreef ook onder pseudoniem Piet de Beuk.
Hij wordt samen met o.a. René Verbeeck en André Demedts gerekend tot de postexpressionisten.
Buckinx voor een poëzie die zich afzette tegen de kunst als vertolker van politieke, sociale of esthetische opvattingen. In een programmatische verklaring schreef hij in 1930: ‘Poëzie moet niets dan poëzie zijn, klaar als de klare diepte van het meer en toch zo ondoorgrondelijk duister als de diepe bodem van het meer.’
Dichten is voor P.G. Buckinx niet alleen een creatief spel met de taal, maar ook het resultaat van een diepe existentiële bekommernis. P.G. Buckinx’ poëzie beweegt zich tussen de verbondenheid met de aarde en de onthechting ervan. Aan de basis van dit dualisme ligt het verhaal van de mens die verdreven werd uit het paradijs en steeds weer naar die toestand van geluk verlangt.
Woorden zijn overbodig Nu we langzaam verstenen In dit koninkrijk van de herfst Uit: Blijdschap is een boom (1967)BIOGRAFIE
6 februari 1903: Geboren te Kortessem in een gezin met 5 kinderen.
- Zijn vader Bonaventure (Thurio) Buckinx schreef volkse gedichten in ‘Het Limburgs Jaarboek’. Moeder: Celestina Stas.
Hij volgt middelbaar onderwijs aan het Onze Lieve Vrouw-college te Tongeren.
1918: Lid van ‘De Toekomst’.
1922: Begint een loopbaan in de rijksadministratie in Brussel, waar hij opklom tot topambtenaar bij het Vast Wervingssecretariaat.
- Eerste gedichten verschijnen in krant ‘De Schelde’ (hoofdredacteur Paul De Mont).
- Hij geeft het toneelstuk ‘Kerels. Spel van verdrukking in één bedrijf’ uit onder het pseudoniem Piet de Beuk.
1923: Pieter Geert wordt spelend lid van het reizend Toneelgezelschap ‘Gudrun’.
- Schrijft toneelkronieken in ‘Averbodes Weekblad’ en ‘De Kunstgids’, evenals in ‘Toneelgids’.
1922-1926: Vooral actief als schrijver van toneelstukken (Kerels, Ina, Gebroken droom en de tredmolen).
- Nadien legt hij zich toe op poëzie. Zijn eerste twee bundels ‘De Doortocht’ (1927) en ‘Wachtvuren’ (1929) sloten aan bij het humanitaire expressionisme.
1927: Debuteert met een eerste dichtbundel ‘De Doortocht’.
- De verzen zijn in ietwat vrije ritmen gesteld naar analogie van de expressionisten.
- Invloeden van Wies Moens of Marnix Gijsen soms Walt Whitman zijn aan de orde.
Ontmoeting met Paul van Ostaijen.
1928: Eerste contacten met André Demedts.
- Huwt Charlotte Oosterlinck (geboren te Heverlee op 15 oktober 1905).
1929: Publicatie van zijn tweede bundel ‘Wachtvuren’.
- Buckinx kiest voor een strengere versbouw, maar blijft modernistisch in zijn verjongde beeldspraak en het afzweren van het decadente ivoren-torenindividualisme.
- Hij schrijft een klassieke prosodie, die hijzelf ‘aristocratische dichtkunst’ zal noemen.
Zijn poëtische opvattingen blijven dicht bij die van Van Ostayen.
1930: Richt samen met Jan Vercammen, René Verbeeck en André Demedts het tijdschrift De Tijdstroom. (oktober 1930- december 1934) op.
- Dit ‘Maandschrift voor Kunst en Letteren’ had een tweede ondertitel ‘Orgaan der Katholieke Vlaamse Jongeren’ dat het vanaf zijn tweede jaargang wegliet. Het haalde vier volledige jaargangen en werd na drie afleveringen van de vijfde jaargang opgeheven.
- Credo: eerder esthetisch dan ethisch georiënteerd, meer persoonlijk dan communautair: ‘de kunst [is] de kristallisering van het leven van de kunstenaar, en haar graad van schoonheid wordt bepaald door de hevigheid van het beleven en de mogelikheid deze bewogenheid te verstoffelikken in de enige passende vorm’. (‘Verantwoording’, artikel van de redactie 1ste jg., nr 1, blz. 3)
- Deze spanning tussen gemeenschapszin – in de 30’er jaren steeds dominanter in hert Vlaams nationalisme, doorgaans met katholieke accenten – en esthetisch georiënteerd individualisme, leidde uiteindelijk tot de stopzetting van het tijdschrift.
- Het tijdschrift splitst in enerzijds ‘Volk, Maandschrift voor Dietsche kunst en letterkunde’ , dat meer volkse, nationalistische, romantisch-traditionele gedichten en liederen zal opnemen en ‘Vormen, Tweemaandelijksch Letterkundig Tijdschrift’.
1936: Onder leiding van Buckinx, René Verbeeck en Paul De Vree werd het tijdschrift Vormen, Tweemaandelijksch Letterkundig Tijdschrift. (april 1936-maart 1940) opgericht.
- Vanaf de tweede jaargang voegden zich hierbij: André Demedts en R.F. Lissens.
- Credo: het gaat hier om ‘de vernieuwende, vormgevende kracht die den levensinhoud ordent en transformeert en hem zijn diepere beteekenis geeft’. De titel ‘Vormen’ verwijst naar: ‘de veelvuldigheid van dezen vorm [die] zoo differentieerend inlicht nopens de waarde der menschelijkheid die erin vervat is.’ ‘Vormen’ verschuift het ‘zwaartepunt van gemeenschapszin naar algemene menschelijkheid’.
1936: Publicatie van ‘De dans der kristallen’.
- René Verbeeck schrijft hierover in zijn monografie: ‘Toen ontstonden de gedichten waaruit alle godsdienstige en politieke ins lag geweerd was, en die geen zichtbaar verband meer toonden met de feiten van het dagelijks leven. De levenservaringen werden in zijn poëzie ontdaan van alle anekdotiek en lokalisatie; hij tracht alleen nog de reagerende huivering van de ziel in de melodie en het ritme van de worden op te vangen. (p.6)
1939: Redacteur van ‘Dietsche Warande & Belfort’.
1945: Medestichter het genootschap ‘De Tribune’.
Hij werkte ook voor de Belgische Nationale Radio- omroep recenseerde hij het toneelleven.
Hij doceerde ook toneelletterkunde aan het instituut voor Journalisten te Brussel.
1958: Publicatie van de bundel ‘De oevers van de stroom’
- Bevat de neerslag van een Kongoreis, tegelijk een verruiming van het verbeeldingsvermogen.
- De suite ‘De twaalf negerliederen’ zijn geslaagde staaltjes van objectieve lyriek.
ik ijl u achterna,
alleen in de nacht van de boot,
in het donker van Kigoma.
Soms schrik ik op voor de kreet
van een dier in de koorts van de slaap,
voor het scheurend gesis van de slang,
voor de puntige naald van haar beet.
Soms schrik ik op voor die stem
in mij, voor de dood wit als ivoor,
voor de koude gil van de negervrouw,
voor de messen blind van fosfoor.
Soms schrik ik op voor het brandend wier
in de luide schuimval van de rivier,
voor het schot, voor de buit, voor het morgenrood,
voor de sneeuw, voor het ijs, voor de slaap:
het koele kristal van de dood.
1961: Publicatie van de bundel ‘De zevende dag’
- In zijn bundel ‘De zevende dag’ (1961) heeft zijn poëzie een definitieve gedaante gekregen.
- “Het innerlijke dualisme is overbrugd, de onthechting heeft tot berusting geleid. Het kille bergland en het bloedwarme dal zijn geen antipoden meer, maar vullen elkaar aan en ontmoeten elkaar in de zachte ‘bergwei’ …” schrijft René Verbeeck in ‘P.G. Buckinx’ in de reeks Monografiëen over Vlaamse Letterkunde.
1969: Werd lid van de Koninklijke Vlaamse Academie.
1983: Kreeg de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie voor heel zijn oeuvre toegekend.
21 januari 1987: Overleed te Jette.
Vele van zijn teksten werden door Vlaamse componisten (oa Arthur Meulemans, Willem Kersters) op muziek gezet
BEKRONINGEN
- 1939: Prijs van Brabant voor poëzie
- 1940: Hendrik vande Veldekeprijs
- 1946: Driejaarlijkse Interprovinciale Prijs van Vlaanderen voor poëzie voor ‘De vleugelen van Icarus’
- 1947: Prijs Scriptores Catholici
- 1858: Laureaat Referendum Vlaamse Letterkundigen (Boekenweek Antwerpen).
- 1962: Laureaat Referendum Vlaamse Letterkundigen (Boekenweek Antwerpen).
- 1964: Karel van de Woestijneprijs van Sabam.
- 1983: kreeg de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie voor heel zijn oeuvre toegekend.
Meer over Pieter Geert Buckinx
- Brackmann, Christine & Friesendorp, Marijke (red.). 1996. Oosthoek Lexicon Nederlandse en Vlaamse Literatuur. Utrecht/Antwerpen: Kosmos-Z&K Uitgevers.
- Bousset, H. 1985. ‘Pieter Buckinx’. In: De Nederlandse en Vlaamse auteurs. Van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. Ed. G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse. Weesp: De Haan.
- Voorjaar te Dilbeek: een huldeboek naar aanleiding van de honderdste geboortedag van Pieter G. Buckinx ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van de Cultureel-Sociale Vereniging C.S.V. vzw. Tienen: Aqua Fortis, 99p.
- Bibliografie van Pieter Geert Buckinx / Linda Saenen, Nadia Vissers ; ingeleid door Raphaël de Smedt. Uitg: Koninklijke Bibliotheek van België – Linda Saenen – Nadia Vissers. Ingeleid door Raphaël DE SMEDT, 2003 -251p.
Geraadpleegde bronnen
Websites
- De Pieter Geert Buckinx-Stichting v.z.w.
- NEDWEB/Literatuur in context – Buckinx, Pieter
- DBNL auteur – Pieter G. Buckinx
Referenties
- Prof. Dr. M. Rutten, Prof. Dr. J. Weisgerber, Van ‘Arm Vlaanderen’ tot ‘De voorstad groeit’ 1888-1946. Standaard Uitgeverij 1988, p. 417-419.
SMAAKMAKER
De zevende dag in de bergboswei vond ik de wortels van de bron. Het water herkende mij. De steen die de bron sinds eeuwen hield verborgen blonk in de witte aders van de morgen. De vlinders vonden de dauw in de doodstille anemonen. De witgloeiende vogelveder waarin de ziel mag wonen blonk in het doodstille blauw. Uit het oerland van de dromen zong ik het oeroude lied, maar de wereld hoorde de boodschap niet.
(uit: ‘De zevende dag’ 1961)
Bijna aan de grens van de weg gekomen kijk ik nog even om. In de dorpskom, onder de bomen bij de kerkhofmuur, zit een knaap in de najaarszon. Hij speelt met de eikels en hazelnoten die tussen de tepels van zijn vingers glijden als parels waarin het herfstgoud vlamt. Of hij draaft op een paard met wilde manen door de brandgeur van aardappelloof langs de weerbarstige wilgen naar het bruiloftsbed, het prinsenbos op de einder, in de toverval van de najaarszon. Hier is het dat eenmaal alles begon en eeuwig herbeginnen zal.
(uit: ‘Bijna aan de grens’ 1975)
BIBLIOGRAFIE
Woordje vooraf
- Na het chronologisch overzicht volgt een overzicht per genre alfabetisch op titel.
De bibliografische gegevens werden onder meer nagekeken bij
- Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience – Antwerpen.
- Koninklijke Bibliotheek van België – Brussel / Bibliothèque Royale de Belgique – Bruxelles.
- POËZIECENTRUM vzw – Gent
Chronologisch overzicht
GEDICHTENBUNDELS
- Bijna aan de grens (1975)
- Blijdschap is een boom 1967)
- Bloesems van mijn droom (1997)
- De dans der kristallen. (1936)
- De doortocht (1926-29)
- De oevers van de stroom (1958)
- De verzoeking der armoede (1950)
- De vleugelen van Icarus (1944)
- De zevende dag (1961)
- Droomvuur (1940)
- Late gedichten (1988)
- Marie Louise Buckinx (1992)
- Spaanse gedichten (1989)
- Voorbij de grenzen. (1965)
- Voorjaar aan zee (1955-80)
- Wachtvuren. (1929)
Monografieën
- Staf Bruggen (1929)
- Maurice Cantens (1960)
- Paul de Mont (1961)
- Paul Lebeau (1979)
- Arnold Sauwen (1967)
Luisterspelen
- De Brusselse vigilantkoetsiers
- De tredmolen. (1926)
- De venster naar de zon. (1953)
Kinderboeken
- De kikker, het musje en de leeuw. (1958)
- Ik zing de ganse dag. (1959)
- Mijn kleine prins Joepie. (1972)
Toneel
- De tredmolen (1926)
- Gebroken droom (1925)
- Ina (1922)
- Kerels (1922)
Essays
- De dichter Anthonie Donker’ (1955)
- De moderne Vlaamse poëzie (1956)
- De moeder van Guido Gezelle’ (1954)
- De poëzie van Jan van Nijlen getoetst aan zijn jeugdervaringen. (1971)
- Het ligt voor de hand (1969 – autobiografie)
- ‘Het vierde lustrum van mijn generatie’ (1950)
- Herdenking van Ernest Claes. (1971)
- Schouder aan schouder: speurtocht in de poëzie van dichters van ‘t Fonteintje: de dichter Edward Hoornik. (1971)















