home | Log in
Aantal schrijvers: 457 | Aantal boeken:

13281

Brunclair, Victor J.

Maakt deel uit van: ,

VICTOR J. BRUNCLAIR

Antwerpen, 18 oktober 1899 – concentratiekamp Ladelund, 21 november 1944

 

Omhelzen wij absurditeit,
de groote konkubine,
Uit: De dwaze rondschouw
De koorddanser van de Vlaamse poëzie (dixit: Pieter G. Buckinx in DWB 1946)
Expressionistisch dichter, criticus en essayist. Ook actief in de wereld van het  toneel.
Vooral als criticus en essayist is Victor J. Brunclair een van de baanbrekers van het modernisme in de Zuidnederlandse literatuur geweest.
Als dichter haalde hij niet het kwalitatieve niveau van zijn theoretische inzichten, waardoor hij in de enorme schaduw van Van Ostaeyen kwam te staan.

 

BIOGRAFIE

18 oktober 1899: Victor J. Brunclair werd te Antwerpen geboren, draagt zijn moeders naam., Hij werd als ‘onwettig’ kind opgegeven omdat zijn vader, waarvan geen spoor is terug te vinden, weigerde te huwen.

  • Zes maanden na zijn geboorte zou zijn moeder van verdriet zijn gestorven. De opvoeding van de kleine Victor werd overgedragen aan zijn uit Wallonië afkomstige grootmoeder, waardoor hij pas op de lagere school Nederlands leerde.

DE JAREN TIJDENS WERELDOORLOG I

17 juli 1914: Behaalde het diploma van het derde en laatste studiejaar van de lagere hoofdschool. De familiale omstandigheden lieten niet toe dat hij verder studeerde.

  • Maar de jonge Victor was een weerbare jongen en wou meer weten dan iemand die wel de kans kreeg om verder te studeren.
  • Hij werd een gretig bezoeker van de stedelijke bibliotheek op het Conscienceplein.
  • Hij schreef zich in aan het Hoger Handelsgesticht en volgde een hele reeks avondcursussen.  Als autodidact werd hij dan boekhouder en dagbladschrijver.

1915: In een reactie op een vraag om literaire bijdragen voor het schooltijdschrift van de Stedelijke Normaalschool voor Jongens “Jonge Tijd” maakte hij, onder de naam Bonafied, zijn officiële debuut. Hij publiceerde er enkele gedichten over het gevraagde thema. Via dit tijdschrift kwam hij in contact met de Johanneskring van de latere burgemeester Lode Craeybeckx.

1916: Publiceerde lyriek en essays in het avantgardistische tijdschrift ‘De Goedendag’ , meestal onder schuilnamen zoals J. Fikkens, Fikky, Geert Bardemeyer of Lirio.

  • Uit zijn stukjes blijkt een uitgesproken voorkeur voor de activistische vleugel van de Vlaamse beweging. Echter niet zonder reserves. Radicale uitingen waren te vermijden ‘al was het maar om de activistische verwezenlijkingen van tijdens de oorlog veilig te stellen voor na de oorlog’
  • Zijn eerste essay ‘Eendracht’ (onder pseudoniem J. Fikkens) was een strijdschrift, waarin hij vinnig uitviel tegen de Belgische twee-eenheid “waarvan Vlaanderen het slachtoffer was”.
  • In zijn volgend stukje ‘Overwegingen’(Den Goedendag, febr. 1917 onder ps. Lirio), pleitte hij voor een vorm van bewustwording die – gekant tegen de romantiek van de Vlaamse Beweging – aansloot bij de inzichten van Lod. De Raet en August Vermeylen.
  • In andere artikels riep hij: “Weg met de Blauwvoeterij !” en smaalde hij met het ‘Omdat ick Vlaminc ben-flamingantisme”.

1917: Als humanitair expressionistisch dichter zien we hem voor het eerst in het Goedendag-nummer van mei-juni 1917 Brunclair, met het gedicht: ‘Middernacht’ . Het draagt als motto een paar verzen van F. Werfel: “Fühle du zur Stunde dieser Nacht, Dich zur Achse aller Welt gemacht”.

 

Ik wil geen spiegel om m’n eigen beeld te stelen, geen vensterloze kluisbegrenzing,
die muren opschanst en de zinderzoen van ’t buitenlicht stremt.
Zolang keuvelde ik, doof voor broederbeden, met mezelf in dialoog lijk twee verliefden, wonnezat door wederzijds bezit, oog in oog

 

Hij was niet de enige die naar het humanitair expressionisme evolueerde. Andere grote namen waren P. van Ostaijen (zie diens essay “Over dynamiek” in Goedendag april 1917 p.83-86 en mei-juni 1917 p. 101-108) en Gaston Burssens (eveneens in navolging van F. Werfel).

  • Van Ostaijen’s eerste grote gedicht Zomerregenlied zal pas het jaar daarop gepubliceerd worden. Brunclair heeft het dus waarschijnlijk vooraf niet gekend. Beide gedichten baden in het Werfeliaanse “Allgefühl”, hoewel onmiddellijk opvalt dat Van Ostaijen over een veel zuiverder poëtisch talent beschikt.

In het toenmalige artistiek milieu te Antwerpen werd politiek en literatuur gezien als één maatschappelijk project. Het expressionisme, dat zij uit een aantal Duitse avant-garde tijdschriften hadden leren kennen, zag men als een geschikt vehikel voor een universele gemeenschapskunst, die een einde zou maken aan het individualisme en estheticisme (‘l’art pour l’art’) van de oudere generaties.

Van 1917 tot 1926 wordt de kentering van Brunclairs expressionistische visie tevens in zijn essays weerspiegeld.

INTERBELLUM : DICHTER EN ENFANT TERRIBLE VAN DE LITERAIRE KRITIEK

1919: Werkt mee aan het jongerentijdschrift ‘Staatsgevaarlik’. (waarvan slechts vier nummers verschenen, alle in 1919). De hoofdredactie was in handen van Geert Pijnenburg en Herman van den Reeck. Waarschijnlijk is Brunclair hier in contact gekomen met Hillers Aktivismus.

  • Het ‘Aktivismus’ werd in 1915 door Kurt Hiller in Berlijn gesticht. De beweging vormde een soort onderstroom van het expressionisme. Aanhangers waren geëngageerde expressionisten met revolutionaire maar vredelievende doelstellingen. Het streven ging naar een soort hegemonie van het intellectuele (das Geistige’), immers door de intellectuele vermogens van de mens te stimuleren zou een nieuw tijdperk voor de mensheid kunnen aanbreken.
  • Dit Aktivismus, veelal geformuleerd als ‘Realisierungspolitik’, ‘Umgestaltung der Welt nach dem Befehle der Idee’, was bij vele Vlamingen bekend uit hun lectuur van ‘Die weissen Blätter’ en de Aktionsbladen. Brunclair heeft het allemaal zonder veel kritiek omarmd.

September 1919: Als enige literator naast Eugeen De Bock was Brunclair aanwezig op de stichtingsvergadering van het tijdschrift  Ruimte (1920-1921),  dat een eerste poging was om de expressionistische generatie te groeperen. Het tijdschrift was een kort leven beschoren.

Reeds bij het opstellen van het manifest bleek er grote onenigheid rond het begrip “gemeenschapskunst”:  

  • Brunclair – trouw aan het credo van het humanitair expressionisme – kent aan de dichtkunst een autonome functie toe en maatschappelijke poëzie is ‘de kunst die seismografisch de beroeringen optekent, die de massa’s doorwoelen’ Het is geen voertuig van een ideologie, maar ‘een getuigenis van het samenhorigheidsgevoel tussen enkeling en kollektiviteit’.
  • Wies Moens en Marnix Gijsen en anderen staan lijnrecht tegenover deze opvatting. Zij willen aan de poëzie een sociaal-didaktische functie toekennen, die zich tot het volk wendt met pedagogische doelstellingen.

Mei 1920: Werd secretaris van de Antwerpse groep van Clarté, een pacifistische internationalistische liga en werkte mee aan het Clarté-tijdschrift ‘Opstanding’ (1920-1921 – zes afleveringen).

  • Clarté was een beweging die haar wortels had in het oorlogsleed van Frankrijk: de secties werden er opgericht door Henri Barbusse en Romain Rolland. Het was in oorsprong anti-militaristisch.
  • De doelstelling was de bevordering van het culturele peil van de arbeidersklasse en de verspreiding van het historisch materialisme onder de intellectuelen.
  • In Vlaanderen waren er Clarté-groepen in Gent, Brussel, Antwerpen, Mechelen en Oostende.
  • Er was een ‘algemeen Vlaams’ tijdschrift, uitgegeven te Brussel: ‘Opstanding’ en een afzonderlijk blad van de Antwerpse groep: ‘De Nieuwe Wereldorde’.

In feite waren de Vlaamse groepen een amalgaam van pacifisten, oud-activisten, minderheidssocialisten en anarchisten. Ze waren niet dogmatisch en recruteerden in kringen van jongeren en kunstenaars. Een bekende Clarté-militant was Herman van den Reeck, die in 1920 tijdens een 11-juli viering in Antwerpen werd doodgeschoten. Ander bekenden waren Geert Pijnenburg (ps. Geert Grub), Gaston Burssens en René De Clercq.

In deze essays komen vooral zijn politieke ideeën aan bod. In militante artikels als ‘Rondom Clarté’, ‘Maatschappelijke kunst’, ‘Toekomstmuziek’ en ‘Weg met de Blauwvoeterij !’ stuurt hij aan op politisering, democratisering en socialisering van de Vlaamse beweging in een internationaal verband: ‘Te lang is het Vlaamse volk geleid door liefhebbers in de Germaanse filologie’.(in ‘Opstanding’ 2de jg. 15/2/1921).

In het essay ‘Distinguos’ (1921) klinkt het zo: “Al dat geklets rond een toekomstwereld is apekool als geen reaalpolitiek merg het aanstevigt. Goed voor dwepers en deemoed-militanten.”

1921: Werd vaste medewerker aan    Vlaamsche Arbeid. Ook hier verdedigde hij in scherpe en soms uitdagende kritieken het modernisme en de theorie van het organisch en experimenteel dichterschap.

1920 en 1921 zijn de jaren waarin Brunclair zijn humanitaire lyriek publiceerde in de tijdschriften ‘Ruimte’ en ‘Vlaamsche Arbeid’.

  • Getuigden zijn eerste (jeugd)gedichten van een vaag ‘Menschheits- und Allgefühl’ à la Werfel, na WO I neemt hij van dit romantische dichterschap afstand en wordt zijn poëzie beïnvloed door het Duitse ‘Aktivismus’. Langzaam werd hij één van de wegbereiders van het humanitair humanisme. Onder invloed van Van Ostaijen zal hij naar de ‘zuivere lyriek’ opschuiven.

1921 tot 1925: lag zijn activiteit bijna uitsluitend op het vlak van het essay en de polemische kritiek.

  • Ook inzake de tweevoudigheid van het humanitair expressionistisch streven – de sociaal-politieke actie en de vernieuwing van het dichterschap – waar hij mee worstelde, geraakte uitgeklaard.
  • Uiteindelijk zal hij een onderscheid maken tussen de sociaal-economische rol van de politicus en de ethische rol van de dichter. Beide kende hij hetzelfde grootse einddoel toe: een ‘humaner levensregeling en de verwezenlijking van de stoute droom der Wereldrevolutie’.
  • Voor de dichter eiste hij intellectuele en artistieke autonomie – een rode draad in Brunclairs leven.

1925: Opnieuw verschenen van Brunclair gedichten in ‘Vlaamsche Arbeid

1925-1938: Als boekhouder in dienst bij een Antwerpse diamantfirma.

1926: Publicatie van ‘De dwaze rondschouw’, waarvan zowat de helft bestaat uit niet voordien gepubliceerde humanitaire lyriek, de andere helft leunt aan bij het speelse, fantasievolle experiment, dat dicht aanleunt bij de ritmisch associatieve poëzie van Van Ostaijen,

  • Inderdaad, samen met Van Ostaijen’s ‘Het sienjaal’ (1918), behoort ‘De dwaze rondschouw’ tot het selecte corpus modernistische poëzie die het Vlaamse expressionisme heeft opgeleverd. Speelse fantasie en het radicale modernisme vieren hoogtij.
Raketknetter; Fusee
sierlijk spiraal naar het hart der stilte
knal
openspattend in leliënval
korrelfonteinen
kwistig zaaisel groeit tot lichtkelken
ras verwelken
….
Uit ‘het vuurwerk’

1929: Publicatie van de chaotische roman De monnik in het westen.

  • Paul de Wispelaere – in zijn essay over Brunclair – wijst erop dat De monnik in het westen, samen met ‘Waldo’ van Gerard Walschap één van die eigenaardige prozadocumenten zijn die het humanitair expressionisme ons heeft nagelaten. Hij wijst er ook op dat aan Brunclair eigenlijk, wegens ongeduld en gebrek aan beheersing, een echt prozaschrijver is verloren gegaan.
  • Hoe dan ook, het is een groots opgezette roman. De handeling vertelt de parallelle mislukking van drie fundamentele houdingen: de revolutionaire idealist, de egoïst en de mysticus.
  • De roman vertoont een gebrek aan synthetisch vermogen en psychologische samenhang, de vele taferelen raken niet gestructureerd, waardoor hij door de toenmalige kritiek meestal als mislukt werd terzijde geschoven.

 

1930 – 1938: REBELSE JAREN IN EEN VERANDERDE MAATSCHAPPIJ

Na het verdwijnen van Vlaamsche Arbeid in 1930 ging Victor Brunclair zichzelf anders positioneren. Hij werd actief in het Antwerpse theatermilieu en schreef tal van toneel- en hoorspelen, die niet zijn uitgegeven. .

1936: Richtte samen met Geert Pijnenburg het links geöriënteerde humanistisch blad “Getuigenis” op, in de redactie verklaring voorgesteld als een ‘Vlaamsch kultureel links gericht vrijzinnig tijdschrift’. Er zouden slechts twee afleveringen verschijnen (nr 2 en nr 3 vormden een dubbelnummer).

Hij was ook nog hoofdopsteller van het tijdschrift “Opera”.

1936: Publicatie van zijn tweede dichtbundel “Sluiereffecten”

Brunclairs ontnuchterde blik op de samenleving evolueert verder naar wat men later de ‘nieuwe zakelijkheid’ is gaan noemen.

Zo laat hij personages optreden

Het voorhoofd wit de rug recht
De handen loom zo staat de knecht (…)
Als heengaan al de hoge gasten
Dooft hij ’t allerlaatste licht
En raapt het drinkgeld waar zij brasten
Met een verveeld en honds gezicht (Sluiereffecten, p. 12)

Of in ‘Dwaze maagd’

Nu leunt ze veil aan de verkankerde deurpost
en torst een schuld met elke donkere zoen
uitgestort als slijmwier op haar geverfde haren.
Onuitgegeven bleef de kracht van het gebed
maar zij neuriet een kinderliedje toonloos na
heugnis van weleer toen het zandmannetje haar ogen sloot

1937: In het essay “Het heilige handvest“, zet hij zich af tegen de ‘volksverbonden’ kunst van rechtse regimes en de ‘proletkult’ van de communisten.

Deze publicatie lag aan de basis van zijn aanhouding door de Gestapo en zijn dood in het concentratiekamp Ladelund in Sleeswijk-Holstein.

“De Germanen hebben ons in cultuuraangelegenheden altijd, om het zo te zeggen, een pad in de korf gezet. Ze hebben ons altijd willen overtuigen van hun meerderwaardigheidscomplexen, en dit voor betogen en prestaties die nooit aan de creatieve intuïtie, altijd aan het bewust en stelselmatig rationalisme ontsprongen. De geest is er geïnfeodeerd aan een staatsbestel dat enkel betracht de puinen van een op rationalisme en Herrenmoral gevestigde cultuur te bolwerken. De Germanen zijn ersatzmeesters en camoufleerders van tekorten. Mussolini, Hitler, Stalin, regimebouwers door bloedstorting, hoe zult gij u tegenover het hoogste gebod der mensenliefde verantwoorden ? Doe ons het paradijs geen tweede maal verliezen, daar waar gij het denkt te vinden.”

Kan worden beschouwd als antwoord op Urbain van de Voorde’s germanofiele ‘Het pact van Faustus’ (1936)

In hetzelfde essay verwoordt hij helder en bondig de rol van dichter: ‘De dichter zal zijn tijd beleven, niet richten, omdat zijn invloed in deze concreet nihil is. Als geestesmens is de dichter in het tijdsgebeuren een toeschouwer.’

Het essay werd door de provincie van Antwerpen bekroond.

1937: Zijn laatste dichtbundels Camera lucida (1937) en Spreekcel (1940) brachten een traditionelere meer gelouterde vorm van poëzie.

Hoge Vaas

Omwenteld door een draaikolk van geraas
staat rild en rijzig in haar kring van licht omtogen
een spel van saamgezongen bogen
de witte, hoge vaas.
*
Laat af de aanslag eener plompe hand
langsheen de reinheid haarer flanken
laat af de schennis der ontwijde klanken
die aanspoelt op haar koele rand.
*
Het was een opgewaaierd vuur
dat zijn verkronkelde gestalt ontrolt
en plotseling ongerept en puur
daar als een vlamvorm star wordt spits gestold.
Uit: Camera Lucida

Het gedicht ‘De man met hersens in het kamp’ in ‘Openbare spreekcel’ doet niet onder voor de gruwelijkste tekeningen en schilderijen van Otto Dix of Georg Grosz.

(…) Ja hersens had hij en veel geest
Hij is niet lang bij ons geweesr
Want op een nacht sloeg een granaat
¾ weg van zijn gelaat
Zijn hersens hingen aan de wand
Zoo stierf hij voor het vaderland. (ongepag.)

 

1938: Vormt een scharnierpunt in Brunclairs leven. Zijn vrouw overlijdt begin mei. Zowel dagboekfragmenten als brieven oa aan Jozef Muls spreken boekdelen over zijn verdriet.

Rond die tijd moest hij ook afstand doen van zijn job als boekhouder bij de diamantfirma waar hij sinds 1925 in dienst was.

In juni 1938 werd hij benoemd tot secretaris van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg te Antwerpen. Dat moet hem een hart onder de riem hebben gestoken want reeds vele jaren had hij als recensent de voorstellingen bijgewoond. Nu kon hij de instelling van binnenuit leren kennen.

In november 1938 zag hij zijn naam vermeld in de programmabrochures van de KNS, weliswaar niet als auteur maar als eerste Nederlandse vertaler van Bertolt Brechts Dreigroschenoper (1928)

  • Zijn bewerking werd als Driestuiversopera gespeeld in de KNS van 26 november tot 15 december 1938 en kende een groot succes. Niet in het minst dankzij de medewerking van de Duitse regisseur Ernst Busch, die op dat moment grote faam genoot.

 

1940: DANSEND OP DE VULKAAN

Mei 1940: Inval van het Duitse leger in België

  • Bij Dieter Vandenbroucke lezen we : “Zijn koketteren met intellectuele en artistieke autonomie – een rode draad in Brunclairs leven – kreeg nu veel van ‘een dans op een vulkaan’. In plaats van zich op de achtergrond te houden werd hij het uithangbord van het communistische blad Ulenspiegel en nam hij deel aan allerlei literaire prijskampen, die door Duitsgezinde organisaties werden uitgeschreven. Tegelijk met deze narcistische illusie van autonomie benam ook zijn ideaal van een zelfstandig Vlaanderen – met als keerzijde een fanatiek anti-Belgicisme – Brunclair het zicht op de situatie en op de ware bedoelingen van de bezetter. In combinatie met praktische overwegingen leidde dit ertoe dat hij een gooi deed naar het oorlogsburgemeesterschap van Kapellen en dat hij toch geen moeite had met bepaalde premissen van het nationaal-socialisme. Op voorwaarde dat hij niet hoefde in te leveren op zijn onafhankelijkheid als niet-partij of ideologie-gebonden Vlaams-nationalist, was hij duidelijk bereid zijn medewerking te verlenen aan de bezetter. “

1941: Werd benoemd tot secretaris-hoofdopsteller van de Koninklijke Vlaamse Opera, een instelling die in de greep van het Duitse kultuurbeleid was gekomen.

December 1942: Arrestatie door de Gestapo.

  • In december werd hij aangeklaagd door Hendrik Diels, orkestmeester van de Vlaamse opera, die Brunclair ervan beschuldigde hem een anonnieme brief te hebben geschreven waarin hij met de dood bedreigd werd van zodra de bezetting ten einde liep. Brunclair werd opgepakt door de Gestapo en veroordeeld tot zes maanden cel, maar kwam na het uitzitten van die straf toch niet vrij, onder meer wegens het bezit van illegale vlugschriften, zijn essay Het heilige handvest en vooral een sneer aan het adres van de aan het Oostfront gesneuvelde Reimond Tollenaere. Die belediging aan het adres van de radicale Vlaams-nationalist en nazi-gezinde Tollenaere had Brunclair achter de coulissen van de opera geuit, maar was ook de Duitsers ter ore gekomen.
  • Ze kwamen tot het besluit dat Brunclair, de activist van 14-18, helemaal niet deutschfreundlich was, maar eerder deutschfeindlich
  • Was achtereenvolgens opgesloten in Antwerpen, Hoei en Vught, waar hij hij Nico Rost ontmoette, die de laatste getuigenis zal brengen in zijn dagboek ‘Goethe in Dachau’ (1946): ‘Hij was fel en niet in het minst teneergeslagen…”(10/4/1944)

Op 8 september 1944 werd Brunclair op transport gezet naar Sachsenhausen, vanwaar het op 16 oktober naar het concentratiekamp van Neuengamme ging.

21 november 1944: Victor J. Brunclair overlijdt te Ladelund (het buitenkamp van Neuengamme) aan de gevolgen van dysenterie. Zijn lichaam werd er bijgezet in een massagraf.

Hij was 45 jaar oud en liet een vrouw en een zoontje achter, dat tijdens zijn gevangenschap was geboren.

 

Meer over Victor J. Brunclair

  • Hubert Lampo, De ring van Möbius I. Brussel: Manteau (1967) -160p. Bevat een essay over Brunclair: ‘Late kanttekeningen bij Victor J. Brunclair’s “Monnik in het Westen” pp 37-48.
  • Philips, Petrus, Bibliografie van het werk van Victor Jozef Brunclair. Antwerpen : Stedelijke Technische Leergangen voor Bibliotheekwezen, 1961, Eindwerk: Proefschriften SCVO Pestalozzi / Stedelijk Instituut Hogere Leergangen. Graduaat Bibliotheekwezen en Documentaire Informatiekunde [Antwerpen], 166p.

 

Geraadpleegde bronnen

Website

Referenties

  • Dieter Vandenbroucke, Victor J. Brunclair als jonge beeldenstormer. ‘Ik wil geen spiegel om m’n eigen beeld te stelen’. In: Zacht Lawijd jg. 5, nr 1 2005 p. 2-27.
  • Prof. Dr. M. Rutten, Prof. Dr. J. Weisgerber, Van ‘Arm Vlaanderen’ tot ‘De voorstad groeit’ 1888-1946. Standaard Uitgeverij 1988, p. 342-347.
  • Dieter Vandenbroucke, ‘De ware geestesmensch laat zich niet politiseeren’. Victor J. Brunclair over de verhouding tussen kunst en politiek en het verlangen naar een Vlaams eenheidsfront in de jaren ’30. In, De trust der Vadelandsliefde. pp. 138-161. AMVC-Letterenhuis, 2005.
  • Paul De Wispelaere,  Victor J. Brunclair 1899-1944. Brussel: Manteau (1960) -47p.  Monografieën over Vlaamse letterkunde nr 12.
  • Pieter G. Buckinx,  Victor J. Brunclair. De literator van het verzet. In: Dietsche Warande  & Belfort nr 2, 1946.
  • Vandenbroucke, Dieter, Dansen op een vulkaan. Victor J. Brunclair: schrijver in een bewogen tijd. De Bezige Bij, Antwerpen, 2013, 585p.

 

SMAAKMAKER

(Uit: De dwaze rondschouw p. 47)

 

In Weerspiegeld Antwerpen beschrijft Brunclair  Het Eilandje – één van de volledigste die ooit zijn geschreven, compleet met de afvaart van een Red Star-schip.

Bron: Brunclair, Victor J. | Jan Lampo

“De Montevideostraat, zij suggereert zo volheerlik de landen van de tweede kans – is een cloacum, waar alles doorelkaar wriemelt dat zijn laatste kans heeft gemist. Schorre sjouwerlui, half gekraakt en schier hoorndul door een onmatig gebruik van ersatzporto zingen er dronkemansliedjes voor hun gemelik kroost. Morsige boefjes azen er op kattekwaad, spijts het scheldend vermaan der katijven. (…) Zo belanden wij dan, het is scheepsvertrek, en de flanken van de transatlantieker sidderen van ongeduld naar de kozing van het ruime sop, op de Rijnkaai, die a giorno tintelt in de malve avond. Havenlichtjes knipogen. De janmaten maken goede sier. En versufte landratten proeven een rondeken mee. Dat is namelik een recept, om zonder ongemak de zilte plas over te steken. Een deugdelike dozis zatheid traint je voldoende om het rollen van ’t schip triomfantelik te doorstaan. Bombaymannetjes trippelen voorbij en Orientvizioenen doortinten hun gitogen.”

De SS Lapland.

“Gelegenheidsliefjes staan te wenen om het afscheid, en de bootsgezellen beloven plechtig te zullen schrijven. De waardinnen achter de schenkbank zijn duchtig in de weer en houden hun boekhouding met dubbel krijt. Dan begint de buikspraak van de zeekolos. En de orchestrions moeten het afleggen tegen zijn basgeluid. De laatste koopwaar en de laatste manschappen worden aan boord gehesen. Katrollen krijsen voor het laatst. Aan wal begint het gekrijs over heel de lijn. Als de gangway wordt gelicht vlinderen zakdoekjes. Een geïmproviseerd quatuor op het dek heft een vaarwelzang aan zwaar van weemoed en nostalgie. Op het donkere tussendek groezelen Polakken. Korte kommando’s knallen, en adieu, daar gaat ie. De wimpel in top spant zich strak. De schroef waaiert waterparelen. Het schip vaart als een gratievolle reus sierlikschoon de nacht tegemoet.”

Uit: Baekelmans, Lode; Denucé, Jan; Brunclair, Victor J.; De Bom, Emmanuel; Van Offel, Edmond e.a. Weerspiegeld Antwerpen. Hoe ‘t vroeger was: onze schrijvers over hun stad.  Antwerpen, De Sikkel. 1929.

 

BIBLIOGRAFIE

Woordje vooraf

Handschriften van het onuitgegeven werk (toneelspelen, hoorspelen, essays, teksten van lezingen en in gevangenschap geschreven gedichten) worden bewaard in het Archief en Museum voor het Vlaams Cultuurleven van het Letterenhuis te Antwerpen

De bibliografische gegevens werden onder meer nagekeken bij

  • Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience  – Antwerpen.
  • Koninklijke Bibliotheek van België – Brussel / Bibliothèque Royale de Belgique – Bruxelles.
  • POËZIECENTRUM VZW – Gent
    • Naast de Poëzieshop biedt het Poëziecentrum voor liefhebbers van antiquarische kleinoden ook een uitgebreid aanbod modern antiquariaat aan. Recentelijk werd het aanbod uitgebreid tot meer dan 3500 titels èn werden alle prijzen geherwaardeerd. Je vindt een overzicht van al de antiquarische titels op Antiqbook.

Om een foto in de fotogalerij te vergroten klik op de foto

Chronologisch overzicht

A.  Literaire werken

Jaar Titel Fotogalerij Uitgeverij 1ste druk
1924 Gedrang. (toneel) In: Vlaamsche Arbeid.
1926 De dwaze rondschouw. (poëzie) Borgerhout : Uitgeverij “Regenboog” (Van Daelstraat 51). -66p. 

Afmetingen: 24 x 18.50 (ingenaaid)
Colofon: Dit boek is gedrukt op de persen de Drukkerij “Hooger op”. Helmstraat, 87, Borgerhout (Antwerpen) met Holl. Mediaeval letter op 1 Meert 1926

 

1929 De monnik in het westen. (roman) Antwerpen: Uitg. Regenboog. -428p. 

Afmetingen: 18.50 x 13.25 (ingenaaid)
1934 Sluiereffekten. (poëzie) 

Deeltitels: Gestalten; Dansen en liederen; Aspekten en stemmingen; Sluiereffecten.
Antwerpen: Uitgeverij “Mercurius” (Roodestraat 44).  -80p. 

Afmetingen:22.25 x 15 (ingenaaid)
Bijvoegsel: begeleidend schrijven van uitgever.
1937 Camera lucida. (poëzie) Mechelen: Uitg. Eenhoorn (Dageraadstraat 57).  -29p. 

Afmetingen: 23 x 15.75 ingenaaid)
Colofon: Van deze bundel ‘Camera Lucida’ door Victor Brunclair werden voor de Uitgeverij Eenhoorn door F. en B. Vyncke te Gent 150 genummerde exemplaren gedrukt.

 

1937 Het heilig handvest. (essay) 

Bekroond met de prijs van de Provincie Antwerpen.
Antwerpen: D. De Vos-Van Kleef. -72p.
1940 Openbare spreekcel. Verzen (poëzie) 

Verluchtingen van L. Geurts.
Antwerpen : Drukkerij Brabo. -50p.

 

B. Artikels in tijdschriften

Essays en kritische opstellen in volgende tijdschriften en bladen:

De Goedendag (1915-1917); Staasgevaarlik (1919); Opstanding (1920-1921); Ruimte §1920-1921); De Nieuwe Wereldorde (1920); Vlaamsche Arbeid (1921-1930); Het Overzicht (1921); De Stem; (1923); Opbouwen (1928-1929); Vandaag (1929); Ons Vaderland (vanaf 1929); De Schelde (vanaf 1930); Reinaert (vanaf 1930); Pan (1932-1934); Getuigenis (1936); Uilenspiegel (1940-1941)

Een selectie:

1915

Bonafied. ‘Het schoonste op de wereld.’ In: Jonge Tijd, 29 maart 1915, p. 8

‘Verzen.’ In: Jonge Tijd, 29 maart 1915, p. 8

‘Ik herinner mij.’ In: Jonge Tijd, 15 april 1915, p. 14

‘Welke richting ?’ In: Jonge Tijd, 1 mei 1915, p. 19-20

1916

G. Bardemeyer,  ‘Taktiek. De Vlaamse politiek.’ In: Ons land, 10 december 1916

J. Fikkens,  ‘Eendracht.’ In: Goedendag, april 1916, p. 83-86

‘Vlaamse Kring. (Antwerpen)’. In: Goedendag, augustus 1916, p.201

1917

Lirio, ‘Overwegingen betreffende Aktivisme en Passieven.’ In: Goedendag, jg., 23 februari 1917, p. 49-51

G. Bardemeyer,  ’t Preludium der eeuw.’ In: Ons land, 7 januari 1917 p. 3

G. Bardemeyer,  ‘Kentering.’ In: Ons land, 23 februari 1917 p. 3

G. Bardemeyer,  ‘Middernacht.’ (gedicht) In: De Goedendag, mei-juni 1917 p. 117.

G. Bardemeyer, ‘Uit de jongste Franse literatuur.’ (essay) In: De Goedendag, mei-juni 1917 p. 110-116.

Angel David,  ‘Fiat Lux: het worde licht.’ In: ’t Pardoent, Antwerpen. 1917

Angel David,  ‘De schoone historie van Fortunatus Borze en van zijn wenschhoeden’. In: Patria, Antwerpen, 1917

1918

G. Bardemeyer,. ‘Het jongste geslacht I.’(essay) In: De Goedendag, jrg. 24, nr 5 (mei-juni 1918) pp. 59-65

G. Bardemeyer,  ‘Het jongste geslacht II.’ (essay) In: De Goedendag, 24ste jg. Nr 6 juli-augustus 1918 p.97-102.

G. Bardemeyer, ‘Oorsprong en evolutie der Jeugdbeweging.’ In: Het Vlaamsche Nieuws, 18 oktober 1918, p 1

1919

G. Bardemeyer, ‘Passief ? “Passieve flamingantisme”. In: Ons land, 10 december 1916

Victor J. Brunclair , ‘Initiation au dynamisme flamand I.’ In: L’Art Libre, jrg. 1, nr 9 (1919) pp 97-98.

Victor J. Brunclair , ‘Initiation au dynamisme flamand II.’ In: L’Art Libre, jrg. 1, nr 10 (1919) pp 109-110.

Snob,  ‘La danse impressioniste.’ In: La Comédie, 18 oktober 1919 p. 3.

1920

Geert Bardemeyer,  ‘Democratie?’. In: De Nieuwe Wereldorde, 1 januari 1920, pp. 2-3.

‘Vertwijfeling’. In: Ruimte, 1ste jg., nr 1-2, p.11

Victor J. Brunclair,  ‘Aantekeningen. Retro’. In: Ruimte, 1ste jg., nr 4-5 (1920), pp. 64-66

V.B.,  ‘Rondom Clarté’. In: Opstanding, jrg. 1, nrs 2-3 (1920) p. 7

B.,  ‘Toekomstmuziek’. In: Opstanding, jrg. 1, nrs 6 (1920) p. 34

1921

Victor J. Brunclair,  ‘Over reformisme’. In: Opstanding, jrg. 2, nrs 1 (1921) p. 1-2

‘Weg met de Blauwvoeterij !’. In: Opstanding, 2de jg., nr 2, 15 febr. 1921 niet gep.

Victor J. Brunclair , ‘Jongere kunst. Overwegingen bij kunstmanifestaties van heden.’ In: Vlaamsche arbeid, jrg.16 nrs 1-2 (1921) pp.59-64

Victor J. Brunclair,  ‘Ethiek’. In: De Goedendag, jrg.26 nr.6 (1921) pp.19-22

1922

V. J. Brunclair,  ‘Over moderne literatuur’. In: Vlaamsche arbeid, jrg.17, nr 6 (1922) pp212-222 en nrs. 7-8 (1922) pp.246-261.

Victor J. Brunclair,  ‘Rond het kongres van moderne kunst. Gangmakers’. In: De Goedendag, jrg. 27, nr.4 (1922) pp.6-10.

1923

Victor J. Brunclair,  ‘Avendlanders. Moderne poëzie VI.’ In: De Stem, jrg. 3, nr.3 (maart 1923) pp.266-278

Victor J. Brunclair,  ‘Weg met de regenschermen! Opdr. Voor Urbain van de Voorde. Antwoord op zijn “Stem”-artikel.’ In: Vlaamsche Arbeid, jrg. 18, nrs. 9-10 (1923) pp. 359-371.

1924

Victor J. Brunclair,  ‘Gedrang.Tijdrevue.[Inleiding]’. In: Vlaamsche Arbeid, jrg. 19, nrs. 1-2 (1924) pp. 13-20.

Victor J. Brunclair,  ‘Van het Fonteintje dat een Hekla werd’. In: Vlaamsche Arbeid, jrg. 19, nrs. 1-2 (1924) pp. 62-63.

Victor J. Brunclair,  ‘Toetsstenen’. In: Vlaamsche Arbeid, jrg. 19, nr. 4 (1924) pp. 153-154.

Victor J. Brunclair,  ‘Het vaderhuis te huur.’ In: Vlaamsche Arbeid, jrg. 19, nr. 12 (1924) pp. 405-408.

1925

‘Senator Prof. Dr. August Vermeylen, Leider der Vlaamsche Beweging’. In: Vlaamsche Arbeid, jg. 15 ,nrs.,9-10, 1925, pp.316-322. ??

1928

Victor J. Brunclair,  ‘In memoriam Paul van Ostaijen’. In: Vlaamsche Arbeid, jrg. 23, nrs. 3-4 (1928) pp. 11-35.

1929

Victor J. Brunclair,  ‘Het litteraire Antwerpen’. In: Vandaag, jrg. 1, nrs.7-8 (1929) pp. 173-174.

Victor J. Brunclair, ‘Stedebouw, Wereldburgerschap, Particularisme, enz.’ In: Ons Vaderland, 29 juni 1929, p.2

Victor Brunclair,  ‘Het Eilandje’. In: Weerspiegeld Antwerpen. De Sikkel, Antwerpen, 1929, pp. 23-33.

‘Poëzie van intuïtieve doorleving der dingen’. In: Vandaag, jg., 1, nr 4, 1929, p.79-80.

‘De chaplinade in Vlaanderen.’ In: Vandaag, jg., 1, nr 13, 1929, p.289.

1930

Victor J. Brunclair,  ‘Hulde aan de Vlaamsche Arbeid’. In: Vlaamsche Arbeid, jrg. 25, nrs. 5-6 (1930) pp.206-508.

V.J.B., ‘Door mijn luidspreker. 1830-1930’. In: De Schelde, 16 oktober 1930, p.2.

V.J.B.,  ‘Door mijn luidspreker. Het slotwoord over 1830-1930’. In: De Schelde, 20 oktober 1930, p.2.

‘Luidspreker’. In: Reinaert, jg. 1 nr 21, 1930, p.325

1931

‘Het Nationaal Solidarisme.’ In: Ons Vaderland, 12 december 1931, p.1

1932

V.J.B., ‘Door mijn luidspreker. Nieuwjaarsbrief.’ In: De Schelde, 1 en 2 januari 1932, p.4.

‘Aan die van uiterst links’. In: Ons Vaderland, 30 april 1932, p.1

1933

‘Chaplin contra Hitler’. (onuitgegeven briefwisseling)’ In: Pan, 25 augustus 1933, p. 2

1936

V.J.B., ‘Vademecum van den romanschrijver’. In: Getuigenis, jrg. 1, nr 1 (september 1936) pp.9-13.

‘Kantteekeningen der Vlaamsche Letteren’. In: Getuigenis, jg., 1 nr 1, 1936, pp.29-30.

1937

‘Vrije Tribuun. Als ik een VNV’er was.’ In: Vlaamsch Front, jg. 1, nr 3, 1937, pp 13-14

V.J.B.,  ‘Concentratie. Ingezonden stuk.’ In: Vlaamsch Front, jg. 1, nr 6, 1937, pp 10-12

‘De groote opzeg’. In: Vlaamsch Front, jg. 1, nr 7, 1937, pp 9-12

‘Vrije Tribuun. De politiseering van den Vlaamsche geest.’ In: Vlaamsch Front, jg. 1, nr 10, 1937, pp 8-10

‘Onze geestelijke stand’. In: Het Nationale Dagblad, 23 september 1937 p.11

‘De Ruimte generatie’. In: Courant, 14 november 1937, p.8

‘Dichter met beperkte verantwoordelijkheid’. In: Courant, 4 december 1937, p.8

1938

‘Dichterschap’. In: Courant, 8 januari 1938, p.10

‘Randnota’s bij de landdag. Boodschap aan Staf de Clercq. Ingezonden stuk’. In: Vlaamsch Front, jg.2, nr 3, 1938, pp.6-9.

1939

Victor J. Brunclair,  ‘Mijn eerste artikel in Het Tooneel’. In: Het Tooneel, 30 december 1939, p.13

1940

Victor J. Brunclair,  ‘Het kleine Binnenmeer. “Vrede door neutraliteit”’ In: Ulenspiegel, 1 maart 1940, p. [1] en 3

V.J. Brunclair,  ‘Een bisnummer in de Wereldgeschiedenis. Ter inleiding. I, II’. In: Het Tooneel, 6 april 1940, pp. 3-4.

V.J. Brunclair,  ‘Een bisnummer in de Wereldgeschiedenis. III, IV’. In: Het Tooneel, 13 april 1940, pp. 4-5.