home | Inloggen
Aantal schrijvers: 525 | Aantal boeken:

15394

Verriest, Hugo

Maakt deel uit van: ,

HUGO VERRIEST

Deerlijk, 25 november 1840 – Ingooigem, 27 oktober 1922

Den pastor van te lande

Prozaschrijver, dichter en charismatisch spreker.

Begaafste Roeselaarse leerling van Guido Gezelle.

Hugo Verriest is de geestelijke vader van de Blauwvoeterij

 Hij deed in West-Vlaanderen de slogan : “Dat volk moet herleven !” ingang vinden. Door zijn uitstraling had hij een grote invloed op zijn leerlingen (oa Albrecht Rodenbach) die hij in de geest van Guido Gezelle, zijn eigen leermeester en voorbeeld, wou opvoeden in een soort idealisme waarvan vrijheid, verantwoordelijkheid en Christendom de grondstenen waren. Hij vulde dit aan met zijn eigen grootmenselijkheid, zijn breeddenkendheid en zijn politiek engagement.

Van fundamenteel belang is Verriest geweest als overgangsfiguur van Gezelle naar de katholieke Vlaamse beweging

Gezelle was immers geen flamingant: hij hield noch van het begrip noch van de zaak ‘Vlaamse Beweging’. Men diende volgens Gezelle alleen als Vlaming zichzelf te zijn: trouw aan eigen innerlijk, zoals men door God geschapen was. Gezelle werkte nooit mee aan Vlaamse manifestaties.

Maar Verriest begreep de betekenis van Gezelle en droeg die uit. Gezelle was Vlaming, Verriest was Vlaming én flamingant, die de boodschap doorgaf aan de jongere generatie.

Hij genoot een immense faam –in Vlaanderen én in Nederland – als charismatisch spreker, zowel over kunst, ethische kwesties als de Vlaamse Beweging. In Verriests visie waren die drie overigens onlosmakelijk met elkaar verbonden

 

BIOGRAFIE

25 november 1840: Hugo Verriest werd geboren te Deerlijk in de Hoogstraat 114, als zesde van zeven kinderen..

  • Zijn vader Petrus-Johannes Verriest (1796-1871) was koopman, koster en armenmeester te Deerlijk. Hij was gehuwd met Carolina Vanackere (1801-1886).

Zijn eerste onderwijs krijgt hij in Deerlijk aan de kostschool van Pieter-Jan Renier, waar hij leert lezen, schrijven en rekenen en zijn eerste lessen Frans geniet.

1850: Wint de prijs voor declamatie met zijn rol in de dialoog “Six semaines ou la meilleure leçon”.

1853: Op aanraden van zijn peetoom Hugo van Ackere, pastor in De Pinte, gaat hij aan ’t Klein Seminarie in Roeselare studeren , “kwestie en groeit er, met Gods gratie, geen priester uit”.

1854: Guido Gezelle komt op 22 maart het lerarenkorps op het Seminarie vervoegen.

November 1857: Gezelle vervangt de normale leraar H.E. Castel in de poësis, het vijfde jaar, waarin ook Hugo Verriest zit.

  • Als leerling van het Klein Seminarie te Roeselare kreeg hij in de poësis in 1857 gedurende een negental maanden les van Guido Gezelle. Toch schijnt hij geen nauwer contact met Gezelle te hebben gehad dan de gemiddelde leerling, dit in tegenstelling tot Eugeen van Oye, Karel de Gheldere en anderen.

1860: Studeert theologie aan het Groot Seminarie te Brugge.

1862: In het voorjaar van 1862 stelt hij – samen met Hendrik van Doorne, wiens vader uiteindelijk de publicatie zal financieren – aan Guido Gezelle voor om een bundel met gedichten van hem te mogen samenstellen. Na enige aarzeling geeft Gezelle toe, maar voor de definitieve selectie zorgt Gezelle uiteindelijk zelf. Zo beslist hij om het gedicht “Dien avond en die rooze” niet op te nemen en in het andere Van Oye gedicht ‘Ik misse u’ schrapt hij de strofe over zijn zangstem.

Eind 1862 verschijnt de bundel ‘Gedichten, Gezangen en Gebeden’, opgedragen aan de Nederlandse hoogleraar J.A. Albedingk Thijm ‘in stam- en taalondeelbaarheid’.

  • Veel reacties op de bundel zijn negatief., vooral wegens het gebruik van het West-Vlaams, maar ook omwille van de vrije verzen, die toen geen alledaagse versvorm was.

17 december 1864: Tot priester gewijd.

1864 – 1867: Leraar aan het St Lodewijkscollege te Brugge. Hij was daar een collega van Lodewijk de Bo die voor hem een voorbeeld werd.

1867 tot 1877: Leraar aan het Klein Seminarie te Roeselare, waar hij eerst de poësisklas kreeg, Hij werkte er samen met andere Vlaamsgezinde collega’s als o.a. Gustaaf Flamen, Emiel Demonie en Alfons van Hee.

  • 1871-1873 : wordt hij hoofdsurveillant van de leerlingen van de hoogste klassen en van de studenten wijsbegeerte.
  • 1873-1877: klastitularis van de retorica. Daardoor wordt hij tegelijkertijd directeur van de ‘Société littéraire’, de lettergilde’ waarin de leerlingen uit de poësis en de retorica ’s zondags kunnen oefenen in voordracht, poëzie en discussie, ook in het Nederlands.

1874: De Groote Stooringe

  • Op woensdag 28 juli, op de tweede dag van het superiorsfeest breekt het conflict tussen leerlingen van Verriests retoricaklas en de Fransgezinde directeur. (Zie schrijversgewijs: Albrecht Rodenbach), in volle hevigheid uit.

1875-1876: De ‘wonderklasse’ zit nu bij Hugo Verriest.

  • Het is een moeilijk jaar, dat jaar na de Groote Stooringe. Kannunik Delbar – de superior – die gehoopt had dat met het wegsturen van leerling Julius Devos, de anderen hun les zouden hebben geleerd, moest anders ondervinden. Hij neemt hardere maatregelen. Zo verbiedt hij het zingen van de Vlaamse Leeuw, het lezen van de boeken van Conscience, de optredens van de toneelgilde van de poësis, zelfs Gezelle’s weekblad Rond den Heerd, vindt geen genade meer. Leerlingen worden afgedreigd.

Het komt tot een krachtmeting tussen Delbar en Verriest.

31 augustus 1877 – 13 juni 1878: Wordt overste van het klooster van de Zusters van Liefde in Heule. De zusters houden een kostschool en een burgerschool voor meisjes open, een kantwerkstersschool voor de minder begoeden en een kleuterschooltje. Verriest geeft er ook godsdienstles en maakt eerste communiegedichtjes voor zijn communiekantjes.

13 juni 1878: Wordt principaal van het Sint-Vincentiuscollege te Ieper.

  • Het is volop schoolstrijd. De katholieke partij heeft bij de verkiezingen op 11 juni een zware nederlaag geleden tegen de liberalen die nu 10 zetels meer halen in de Kamer en zes meer in de senaat.

1877 tot 1881: Redacteur bij “De Vlaamsche Vlagge“.

Eind 1886 meldt hij aan bisschop Faict dat het onderwijs hem zwaar begint te vallen. Deze houdt zijn aanvraag in beraad.

3 oktober 1888: Aanstelling tot pastoor in Wakken.

  • In 1893 wordt Wakken geteisterd door een epidemie van tyfus en pokken. Voor zijn inzet wordt hij gedecoreerd met het burgerlijk kruis eerste klasse.

1894: In het laatste nummer van de eerste reeks van het avant-garde tijdschrift Van Nu en Straks wordt Verriests gedicht “Avondstilte” opgenomen. Prosper van Langendonck was de verzen tegengekomen in De Vlaamsche Vlagge.

Van Langendonck zal 4 november 1894 het nummer persoonlijk aan Verriest overhandigen in het gezelschap van Alfred Hegenscheidt, Emiel Verhees en Léonce du Catillon.

19 juni 1895-1922: Aanstelling tot pastoor in Ingooigem.

1896: Hij was samen met de gebroeders Achiel en Emiel Lauwers en Alfons Depla stichter van het tijdschrift “De Nieuwe Tijd”:

  • ‘De Nieuwe Tijd’. Weekschrift uitkomende elken Donderdag, aan vijf frank per jaargang. J. De Meester; Rousselare. Het eerste nummer verscheen op 5 November 1896, het laatste op 24 oktober 1901.
  • Het tijdschrift klaagt sociale wantoestanden aan en kaart de noodzaak van vakbonden, pensioenen en kindertoelagen aan. De encycliek ‘Rerum Novarum’ krijgt er ruime aandacht.
  • Verriest schrijft elke week over kunst en godsdienst en begint aan zijn Vlaamsche Koppen. Zijn bijdragen zijn nooit ondertekend. Ook Regenboog, uit andere kleuren en Op wandel verschijnen eerst in De Nieuwe Tijd.

Wie veel bij Verriest over de vloer kwam was een jonge bakker uit Avelgem, Frank Lateur, neef van Guido Gezelle en schrijver van verhalen onder het pseudoniem van Stijn Streuvels. Sommige van zijn verhalen zoals “’s Zondags” en “In de vlage” komen in De Nieuwe Tijd terecht, vooraleer ze gebundeld werden in zijn eerste publicatie Lenteleven.

Vanaf 1897 waren ook de Van Nu en Straksers geregelde bezoekers op de pastorij te Ingooigem.

Verriest publiceert zelf ook in Van Nu en Straks, en wel over Rodenbach (Van Nu en Straks N.R. , jg. 2 nrs 3-4, p. 149-169). Hij bezorgd aan August Vermeylen de vertaling die Rodenbach in de Lettergilde gemaakt heeft van Aeschylos toneelstuk Prometheus in de boeien, dat in het 2de nummer van de 2de jaargang verschijnt.

Verriest wordt een veelgevraagd spreker.

  • 1896: te Brussel in het letterkundig genootschap De Distel over “Steenen gedachten en gevoelens in de kunst”. Voor het eerst zegt hij daar “Ik ben een eenvoudige pastoor van een nederig dorp in West-Vlaanderen”, wat weldra zal lijden tot zijn devies: de pastor van te lande.
  • 1897: te Lier op de Jan Davidsfeesten in aanwezigheid van Kardinaal Goossens.
  • 1899: te Leuven voor het Sint-Thomasgenootschap met ‘Drij voordrachten: Licht; Sterkte en Vroomheid’.
  • 1902: Aleida Nijland vraagt hem om voor de Amsterdamse vereniging “Geloof en Wetenschap” over Gezelle te komen spreken. Het is de eerste van een reeks voordrachten over heel Nederland.

1899: Publicatie van impressionistisch getinte schetsen “Regenboog uit andere kleuren

1901: Bekend is zijn portrettenreeks “Twintig Vlaamse koppen” (1901). Hierin beschreef hij op zijn eigen retorische wijze enkele toenmalig belangrijke Vlaamse persoonlijkheden, o.m. zijn leermeester Guido Gezelle.

1903: Publicatie van Op Wandel, oorspronkelijk verschenen in De Nieuwe Tijd. Het zijn schetsen die een lofzang zijn op het Vlaamse volk en leven in een landelijk gewest dat hij door zijn pastoraat in Wakken en Ingooigem goed had leren kennen.

1904: Verriest wordt zwaar ziek en worstelt met een borstvliesontsteking.

De redactie van De Vlaamsche Vlagge biedt hem – ter gelegenheid van de 30ste jaargang – een feestnummer aan.

1904: Publicatie van een verzamelbundel Voordrachten waar hij in een ‘Voorbericht’ de onvermijdelijke afstand betreurt tussen het geschrevene en het gesprokene, dat onder invloed van het publiek vorm kreeg.

  • Hieruit blijkt dat Verriest – minder een dichter en prozaschrijver was, dan wel een beoefenaar van de retorica, een vluchtige kunst.
  • En dat is ook zo: Zijn beste gedichten zijn ‘De Avondstilte”, “Bij het kasteel te Rumbeke”. Zijn proza is meestal uit voordrachten voortgekomen of daarop gericht. Afgezien van zijn Drij geestelijke voordrachten (1905) over ‘Licht, ‘Sterkte’ en ‘Vroomheid’, kan men zijn teksten zien als verwereldlijkte, maar niet geseculariseerde gewijde welsprekendheid.
  • Vele van zijn romantisch-impressionistische gedichten werden nooit gebundeld. Zijn medewerking aan “Van Nu en Straks” is kenschetsend voor zijn breeddenkendheid.

1905: Publicatie van Drij geestelijke voordrachten over ‘Licht, ‘Sterkte’ en ‘Vroomheid’.

Verriest is steeds een grote propangandist van Gezelle geweest.

  • Hij schreef een aantal artikelen in De Vlaamsche Vlagge 1881-1882, en in de periode 1896-1913 gaf – naast artikelen in tijdschriften – ook vele voordrachten over Gezelle.
  • Hij stelde ten onrechte dat Gezelles kunst onafhankelijk was van literaire tradities. (waaruit eerder Verriests afkeer blijkt van het classicisme).
  • Hij stelde terecht dat Gezelles kunst fundamenteel verbonden was met het Vlaamse volk en milieu, waaruit ze was voortgekomen en dat zij op het volk gericht was. De kunst – en die van Gezelle deed dat – moest het volk sterk en zelfbewust maken. Gezelle was de bron, hij stond aan het begin van de herleving van Vlaanderen, aldus Verriest.
  • Echter stelde Verriest evenzeer dat Gezelle geen strijdbare flamingant was en geen Blauwvoeter.

1906: Lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Datzelfde jaar ontving hij de titel “doctor honoris causa” van de Leuvense universiteit.

1909: Voert het woord op de grote Rodenbachfeesten in Roeselare ter gelegenheid van de onthulling van het Blauwvoetbeeld door Jules Lagae. Verriest wordt als leraar van Rodenbach zelf in de hulde betrokken.

1913: Op rust gesteld.

13 augustus 1913: Verriest wordt te Ingooigem met grote luister gevierd. De organisatie is in handen van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen. De man die er, als secretaris en schatbewaarder van het feestcomité, het meeste energie ingestoken heeft, is Stijn Streuvels.

  • De herinnering aan die dag is bij Verriest steeds blijven leven. Er waren meer dan 15.000 mensen opgekomen, allerlei groeperingen en studentengenootschappen en het kruim van letterkundig Vlaanderen. Vele mensen namen het woord, oa August Vermeylen, Frans van Cauwelaert en Pater Renaat Devos, die als student Julius heete en van het Klein Seminarie verwijderd werd.

Tijdens WO I verliet hij nog zelden Ingooigem. Op het einde van de oorlog wordt de passtorie door een bombardement vernield en moet hij op de vlucht naar Kortrijk.

September 1919: Aanwezig op de Rodenbachfeesten te Roeselare waar het standbeeld van Rodenbach in ere hersteld werd.

1920: Verdedigt met succes de van activisme beschuldigde Eugeen Van Oye te Brugge.

1922: Het gaat bergaf met de gezondheid van Verriest. Jichtaanvallen volgen elkaar almaar sneller op.

28 oktober 1922: Hij stierf te Ingooigem.

 

GERAADPLEEGDE BRONNEN

Websites

Referenties

  • Johan Vanhecke,  De Flandriens van Hugo Verriest, van Gezelle tot Streuvels
    Antwerpen, AMVC, 1997. 81 pp., talrijke zw/w en kleurenfoto’s en ills., geïllustreerde papieromslag. Tentoonstellingscatalogus.
  • Romain Van Landschoot, Hugo Verriest. Biografie, Tielt, uitgeverij Lannoo, 2014. -489p. + foto’s. (afmetingen 25 x 19 – gebonden, harde kaft met stofomslag)

 

MEER OVER HUGO VERRIEST

Biografie

  • André, De Ridder,  Pastoor Hugo Verriest. Biographische studie. Amsterdam/Antwerpen, Veen/De Nederlandsche Boekhandel, z.j., halflinnen, 137p.
  • Filip De Pillecyn,  Hugo Verriest, ’s Gravenhage (1926)
  • Stijn Streuvels,  Hugo Verriest. Monografieën over Vlaamse letterkunde. Antw., Helios, 1964. Met foto’s. 52 pag.

Leer

  • André Demedts,  De Esthetica van Hugo Verriest, Gent, Secretariaat van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. 1974.
  • H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse gedachte 1780-1914, derde deel. Antwerpen, 1964, 96-108.

Familie

Hugo Verriest werd geboren in een familie die verscheidene merkwaardige figuren heeft voortgebracht:

Zijn vader Petrus-Johannes Verriest  (1796-1871) was koopman, koster en armenmeester te Deerlijk en geboren in de huidige Verrieststraat in de wijk De Trompe in  Sint-Lodewijk (Deerlijk). Hij was gehuwd met Carolina Vanackere (1801-1886).

De kinderen:

  • Broer Karel Lodewijk Verriest (1828-1894); was achtereenvolgens gemeentesecretaris, notaris en burgemeester van Deerlijk.
  • Broer Adolf Verriest (1830-1891), dichter en schepen van Kortrijk; was de eerste advocaat die in Kortrijk in het Nederlands pleitte.
  • Zus E.Z. Oda Verriest (1832-1918); was kloosteroverste bij de Dochters van Liefde.
  • Zus Louise Verriest (1835-1907); bleef ongehuwd en woonde in bij haar broer, priester Hugo Verriest.
  • Zus Julie Verriest (1838-1908); was gehuwd met bierbrouwer Henri Sobry uit Zwevegem.
  • Hugo Verriest zelf (1840-1922).
  • Broer Gustaaf Verriest (1943-1918); werd te Leuven hoogleraar in de geneeskunde en publiceerde essays over taal- en opvoedkunde, naast een studie over Guido Gezelle.
  • Diens dochter Elisabeth Verriest (1879-1966); was gehuwd met Alexandre Galopin (1879-1944), de gouverneur van de Société Générale de Belgique (Generale Maatschappij van België). Zij waren de grootouders van Benoît de Bonvoisin.

 

SMAAKMAKER

Avondstilte

’t Wordt laat, en ’t zwijgen zinkt met stillen avond neder,
En stille navond dringt me in ’t eindloos diepe hert,
En ’t eindloos herte, moe van ’t wentlen weg en weder,
Staakt ’t wentelen en rust in stille zoete smert.
 
O smert, geen zoetheid kan aan ’t rustend zoet genieten,
Het zoet genieten van uwe ijdele eindloosheid,
Uwe ijdele eindloosheid die ’t froomren vol kan gieten,
Het stille droomen van des avonds enigheid.
 
’t Is eens een avond, en de duisternissen dalen
In halve duisternis doorschijnend in den nacht,
Waar schijnend’ heldre sterren aan den hemel pralen,
Den hemel licht doorlaaid in heldre sterrenpracht;
 
Die sterrenpracht die ginds oneindig wendt en wiegelt,
Oneindig wendt en wiegt in ’t meteloos gespan,
En meetloos in den kleenen klaren dauwdrop spiegelt,
Den dauwdrop, mijne ziel, die  ’t eindloos spieglen kan.
 
Het eindloos hangt daar hoog en ligt hier neer te droomen,
Te droomen in de vlakte en in het zwijgend woud,
Het woud dat zwijgend rijst met halfverlichte boomen,
Die boomen vormeloos die schijnen eeuwenoud;
 
Want eeuwenoud is ’t al en meteloos te samen
Als samen stilte ligt en nacht op de natuur,
Natuur, onroerbaar stil waar blad noch boomen aâmen
Noch de adem van den tijd waait in het drijvende uur.
 
De drijvende uur ligt stil op roerlooze boomen,
En roerloos voor den Bosch strekt ’t ongemeten land,
Het ongemeten land dat donkre verten zoomen,
Die verten meteloos lijk zeeën zonder strand.
 
En zeeën zonder strand van stille zoete smerte
Van smert onroerbaar, kalm en vrij van bitterheid,
Onroerbaar liggen, kalm, in ’t zwijgend eindloos herte
Met ’t eindeloos gevoel der eeuwige eindloosheid.

 De Vlaamsche Vlagge, jg. 1877 (III), 2de aflev., p. 71

BIBLIOGRAFIE

De bibliografische gegevens werden onder meer nagekeken bij

  • Koninklijke Bibliotheek van België – Brussel / Bibliothèque Royale de Belgique – Bruxelles
  • Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience –Antwerpen.
  • Piet Devos: Van reuzen tot dwergen. Bibliografie – Vlaamse schrijvers in de 20ste eeuw – Eerste drukken. Kortrijk, eigen beheer 2007

Om de foto’s in de fotogalerij te vergroten klik op de foto

Chronologisch overzicht

Jaar Titel Fotogalerij Uitgeverij 1ste druk
s.a. Keurbladen. (2 delen) Leuven: Vlaamsche Drukkerij. -208pp+209pp.
1873 Vlaamsche beweging: conferentie gegeven in den Kring der Jongelingen te Rousselare, den zondag 23 februarij laatst. Rousselare: Den Landbouwer.
1877 Leven en dood. Leuven: Fonteyn.-21p.
1899 Drij geestelijke voordrachten. (deze drij voordrachten werden te Leuven in de Predikheerenkerk gehouden, den 7sten, 8sten en 9sten maart 1899)

Bevat: Licht, Vroomheid, Sterkte.
1905: Uitgave bij Jules de Meester te Roeselare -79p.
Gent: Siffer. 66p.
1900 Regenboog uit andere kleuren. (verhalen)

Bevat: Grauw, Blank, Bleek, met doorschijnende lichtblauwe tinten, Zwart, Dolende schaduwboorden, Schemerblauw, Bleek-groen, uit bruine schorse, Oranjevlekken boven Donker-Blauw
Rousselare: Jules De Meester. -62p.

Afmetingen: 20.25 x 13.50 (ingenaaid)
Colofon: Gedrukt en uitgegeven te Rousselare bij Jules De Meester in de Sint Alphonsusstraat 7 & 9  volgens V.W.H. Cahiers A. Schiffer te Gent
1900 Albrecht Rodenbach. Antwerpen: s.n.

Overdruk uit: Jong Antwerpen. – 7-9(1900)
1901 Twintig Vlaamsche koppen. (essays)

- Deel I : Dichter De Bo, Pieter Busschaert, Karel de Gheldere, Alfons Van Hee, Eugeen van Oye, Gustaaf Delescluze, Albrecht Rodenbach, Constant Lievens, Renaat Adriaens, Kamiel Watteeuw.
- Deel II : Emiel de Monie, Delfien van Haute, Alexis de Carne, Alfred Weustenraad, Karel van de Putte, Amaat Vyncke, Hendrik Persijn, Legio, Stijn Streuvels, Guido Gezelle.
Rousselare: Jules De Meester. – 2 Deelen

Deel 1: -163p. –  Afmetingen: 20 x 13.50 (ingenaaid)
Deel 2: -191p. –  Afmetingen: 20 x 13.50 (ingenaaid)
Colofon: Gedrukt en uitgegeven te Rousselare bij Jules De Meester, in de Sint Alphonsusstraat 7 & 9 in het jaar 1901
1902 Op wandel (verhaal) Gent: A. Siffer -24p.

Overdruk: Dietsche Warande.
1903 Op wandel.

Bevat: Die drij, Armoede, Velden, Nog armoede, Natuur, Kinderkopkes, Bloemen, Zonne, Uursenie, Op prachtige vodden, Fantasia, Herworden, Oudenaarde, Blankenberghe, Abdij.
Oorspronkelijk verschenen in De Nieuwe Tijd.
Rousselare: Jules De Meester. / Amsterdam: J.S. De Haas -134p.

Afmetingen: 20.25 x 13.50 (ingenaaid)
1904 Voordrachten.

Bevat: Bond leven en dood, Vaderland, Gaaf en gezond, Stenen gedachten en gevoelens in de kunst, Davidsfeesten, Ontworpen, Kunst, Shakespeare, Smaak, Vrij, Het lied, Guido Gezelle, Andere voordracht over Gezelle.
Rousselare: Jules De Meester. -265p.
1905 Drij geestelijke voordrachten. Rousselare: Jules De Meester. -79p.
1906 Redevoering: hulde van het Davidsfonds aan Guido Gezelle. Yper: Callewaert-De Meulenaere.

Overdruk uit: Hulde van het Davidsfonds aan Guido Gezelle. – (1906). – p. 33-42
1906 Wat er in Vlaanderen roert en wat er stil blijft. Gent: Siffer.

Overdruk uit: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamsche academie voor taal- en letterkunde. – (1906). – p. 405-430
1907 Onze kunst en ons volk. Gent: Siffer.

Overdruk uit: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamsche academie voor taal- en letterkunde. – (1907), p. 845, p. 847-876
1908 Critiek. Gent: Vanderpoorten. -9p.
1909 H. Verriest: keuze uit zijn werken .

Ed. Aloïs Walgrave.
Hoogstraten: Drukkerij Van Hoof- Roelans. -56p.
1909 Woorden zijn natuurlijke teekens. (essay) Gent: Siffer.

Overdruk uit: Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche academie voor taal- en letterkunde. – (1909). – p. 873-884
1910 Feestvergadering der letterkundigen in de tentoonstelling te Brussel. Aanspraak. Antwerpen: Busschmann.

Overdruk uit: Dietsche warande en Belfort. – (1910). – p. 109-116
1912 Alle Nederlandsche woorden zijn Nederlandsch. (essay) Gent: Siffer.

Overdruk uit: Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie. – (1912)
1913 Waar spreekt men het schoonste Nederlandsch? (essay) Gent: Siffer.

Overdruk uit: Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche academie voor taal- en letterkunde. – (1913). – p. 767-774
1913 Werk: uitgegeven door de Vereeniging van Letterkundigen den 17 augustus 1913. Rousselare: Jules De Meester. -256p.
1914 Wie en wat ik ben. Gent: Siffer.

Overdruk uit: Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche academie voor taal- en letterkunde. – (1914). – p. 581-593

POSTUUM UITGEGEVEN

1959 Keurbladzijden.

Samengesteld en ingeleid door Filip de Pillecyn.
Bevat: een keuze uit: Gedichten; Regenboog en andere kleuren; Op wandel; 20 Vlaamse koppen; Voordrachten.
Verriest 1 Hasselt: Uitgeverij Heideland. -190p.

Reeks: Vlaamse Pockets nr 7
Afmetingen:18 x 11 (pocket)