home | Inloggen
Aantal schrijvers: 555 | Aantal boeken:

15793

Van Duyse, Prudens

Maakt deel uit van:

PRUDENS VAN DUYSE

Dendermonde, 17 september 1804 – Gent, 13 november 1859

   

Prudens van Duyse was een prominent vertegenwoordiger van de generatie schrijvers   die na 1830 de Vlaamse literatuur vorm heeft gegeven. Hij was uitzonderlijk productief als dichter, filoloog, historicus, vertaler, improvisator en  componist (het gekende lied ‘Het loze vissertje’ is bijvoorbeeld van zijn hand).

Hij had een zeer uitgesproken improvisatietalent, wat hem tot een beroemd gelegenheidsdichter maakte.

Men noemt hem soms ook –niet geheel ten onrechte- ‘de laatste rederijker’ – omwille van de talrijke (zo’n 42) ‘eermetalen’ die hem in de talrijke dorpen en steden waar er rederijkerskamers waren, zeer geliefd maakten.

Hij was lid of erelid van talloze literaire maatschappijen, had een uitgebreide vrienden- en kennissenkring en toegang tot haast alle kranten, weekbladen en tijdschriften. Een substantieel deel van zijn drukke correspondentie was gericht aan bevriende dichteressen als Maria van Ackere-Doolaeghe uit Diskmuide, Louise Stappaerts uit Leuven, Petronella Moens uit Utrecht en Henriette Croiset uit Den Haag (met wie hij in 1830 als orangist naar Den Haag gevlucht was).

Hij behoort tot een groep auteurs die de gezagswisseling in 1830 betreurden ( anderen waren J.F. Willems, Serrure, Snellaert, Stallaert, Blommaert, Doolaeghe, Johan Michiel Dautzenberg, Karel Lodewijk Ledeganck,  Frans Rens, Frans Jozef Blieck), maar er zich van lieverlede (met uitzondering van Blommaert die toetrad tot de partij van de Gentse Orangisten) bij neerlegden.

BIOGRAFIE

17 september 1804: Prudens van Duyse wordt als Prudentius Joannes Maria van Duyse geboren te Dendermonde, als vijfde en laatste kind van de geneesheer Joseph Van Duyse (Kieldrecht 1770-Dendermonde 1831) en van Theresia Joanna Hanssens (Dendermonde 1766-1841).

  • Hij krijgt in familiekring een verzorgde opvoeding van J.-B. Lanneau en nadien van zijn vader, die  over een ruime culturele bagage beschikt en een goed gevulde bibliotheek.
  • Reeds vroeg schrijft hij  zijn eerste gelegenheidsverzen (1821 ter gelegenheid van de naamdag van zijn vader) en neemt hij deel aan de toen populaire rederijkerswedstrijden.

1823 – 1825: Na een geslaagd examen van kandidaat-notaris werkt hij enkele jaren als notarisklerk te Laken.

In dezelfde periode neemt hij – met veel succes – deel aan zeer veel rederijkerswedstrijden.

1826-1827: Studeert filosofie aan de Leuvense Universiteit, waar hij in juli 1827 slaagde ‘non sine laudibus’ (niet zonder roem)

Oktober 1827: Laat zich – op aandringen van zijn ouders – inschrijven aan de rechtsfaculteit van de universiteit van Gent. Hoewel hij zich toen reeds hoofdzakelijk met de literatuur bezighield, zal hij de studies afwerken.

1829: Zijn eerste publicatie “Lofdicht op de Nederlandsche tael“.

  • Reeds met goud bekroond op 27 november 1827  door de Brusselse maatschappij Concordia. Op de prijsuitreiking werd het vers voorgedragen door J.F. Willems
  • Het is een stichisch gedicht in alexandrijnen van 400 verzen waarin hij het visioen uitbeeldt van een in stilte mijmerende dichter, die de tempel van de “Taal van Neërland” ziet, waarin de godin Moedertaal omringd wordt door de oude dichters Hooft, Huygens e a.

DE BELGISCHE OMWENTELING: een orangistische reflex

1830: Een poëticaal manifest “De wanorde en omwenteling op den Vlaemschen Zangberg” (1830), waarin hij in versvorm en niet zonder ironie, afrekent met de rijmelaarsdrift en de slaafsheid tegenover buitenlandse modellen van de rederijkerij.

1830 – 1831: Moet wegens orangistische sympathieën naar Nederland vluchten. Hij wijkt uit naar Den Haag, waar hij literair-politieke bijdragen schrijft voor het Journal de La Haye.

1831: Publicatie van de bundel ‘Gedichten’ bij de Tollens-uitgever Immerzeel te ’s Gravenhage.

  • Naast oden, historisch-epische verhalen, klaagzangen, lierzangen en romances bevat deze ook “De Vlaamsche zangberg”. Gedeeltelijk reprise van “De wanorde…” , waarin hij de lamentabele toestand betreurt van de moedertaal in Vlaanderen en  de wansmaak van de rederijkers hekelt:
 ’t Is uit met liedekens, blazoenen, refereynen,
Geen klinkdicht weegt een langer fraai gedicht meer op,
Men gaf aan ’t kreeftvers en ’t achrosticon den schop.
Het leverrym is met het kokarul begraven,
en ’t letterziftendom doen zij niet langer slaven.
 

Wanneer hij beseft dat de scheiding van Noord en Zuid onherroepelijk is,  keert hij in 1831 terug naar Gent.

November 1831: Van Duyse is terug te Gent, waar hij een drukke correspondentie voert met C.P. Serrure en P.M. Blommaert en plannen maakt om de culturele situatie van het Vlaamse volk te verbeteren. Maar het blijft vooralsnog bij plannen.

14 augustus 1832: Promoveert tot doctor in de rechten aan de Gentse universiteit en pleit één zaak – om zijn moeder te plezieren – die hij ook nog wint..

September 1832: De stad Dendermonde ontvangt haar ‘Drapeau d’ Honneur’ als aandenken aan de Belgische Omwenteling. Dit geeft aanleiding tot hevige rellen met een aantal orangistische jongeren waaronder Van Duyse zich niet onbetuigd laat. Onder beschuldiging van smaad aan de Belgische Vlag wordt tegen hem een rechtsgeding ingesteld. Uiteindelijk wordt het proces afgebroken “uyt hoofde van krankzinnigheid”. Van Duyse laat zich gedurende enige tijd opnemen in de psychiatrische kliniek van Jozef Guislain.

27 juni 1835: Wordt benoemd tot onbezoldigd ere-stadsarchivaris te Dendermonde.

  • Ondertussen poogt Van Duyse een bezoldigde betrekking te verkrijgen in het onderwijs.
  • Rond die tijd dingt hij ook naar de hand van Maria Doolaeghe, die hem omwille van zijn twijfelachtige maatschappelijke positie een weinig begerenswaardige partij acht.
    • In deze context ontstaat in de periode 1835-1836 een interessante sentimentele briefwisseling tussen Frans Blieck, Maria Doolaeghe, en Van Duyse.
    • Zowel Frans Blieck als Van Duyse dongen naar de hand van deze ‘dichteresse uit Diksmuide’. Blieck zou zelfs in 1835 kortstondig met haar verloofd zijn. Toch zal zij in 1836 met geen van beiden huwen. maar wel met Bruno Van Ackere, vroed- en heelmeester te Kortrijk, die haar een zorgeloos bestaan verzekerde.
    • In tegenstelling tot Blieck zal Van Duyse Doolaeghe blijven helpen als literaire mentor en bemiddelaar bij verschillende van haar publicaties. Tevens fungeerde hij als corrector en promotor van haar teksten.
    • Ook met Blieck zal hij verder blijven corresponderen en zal er een merkwaardige vriendschap uit voortvloeien. De twee zullen als elkaars klankbord fungeren. Ze wisselen teksten uit en wijzen elkaar doorlopend op nieuwe ontwikkelingen en publicaties op letterkundig gebied.

Vastenavond 1835: Opmerkelijk voorval in de prestigieuze Dendermondse zaal de Leesmaatschappij.

  • Enkele soldaten voeren er het toneelstuk ‘Satan converti’ op van Hendrik Conscience – Conscience speelt er overigens ook de hoofdrol. Wanneer Lucifer de corrupte rechters en advocaten hekelt die de klassenjustitie in de hand werken, springt Van Duyse overeind en roept dat hij zulke schandalige uitlatingen niet kan dulden. Na enige discussies met het publiek, dat in carnavalstemming verkeert, verlaat hij woedend de zaal.

11 maart 1836: Benoemd tot corresponderend lid van ‘De Tael is gantsch het Volk’, een Gents genootschap gesticht op 10 februari 1836. De benaming van het genootschap is ontleend aan Van Duyses gedicht Aen België, meizang (1834):

De styl is gantsch de mensch, Buffon, het zyn uw woorden:
De tael is gantsch het volk

30 september 1836: Benoeming tot leraar aan het Atheneum van Gent. Vestigt zich in december definitief in Gent.

  • Zijn leraarschap werd bij gebrek aan leidinggevende vaardigheden geen succes. Een jaar na zijn aanstelling verzochten de curatoren van het atheneum om zijn ontslag – maatregel die alleen dankzij protectie kon worden afgewend. In extremis wordt zijn benoeming met 1 jaar verlengd.

Eind mei 1838: Wordt benoemd tot stadsarchivaris te Gent.

  • Na het overlijden van stadsarchivaris Charles Parmentier krijgt in 1838 Van Duyse een unieke kans: hij wordt door de Gentse gemeenteraad benoemd tot opvolger zodat hij een functie krijgt die beter bij zijn talenten past.
  • Door zijn initiatieven wordt het in chaos verkerende archief grondig gereorganiseerd en door een actieve aankooppolitiek bijgewerkt.
  • Zijn publicatie (vanaf 1849) van de Inventaire analytique des chartes et documents appartenant aux archives de la ville de Gand vervult in het binnen- en buitenlandse archiefwezen een voorbeeldfunctie.

1839: VERZOENING MET HET FEIT BELGIË – VLAAMSGEZIND MA NON TROPPO -GEMATIGDE POLITIEKE ACTIVITEIT

Januari 1841: Uitgedaagd door een weddenschap met Van Duyse, schrijft Hippoliet van Peene, zijn eerste  Vlaamse toneelstuk, Keizer Karel en de Berchemse Boer, dat meteen ten voordele der armen op het toneel wordt gebracht. Het was een overdonderend instant succes.  Voor Van Peene  de start van een schitterende toneelcarrière.

Vanaf 1841 zien we een alsmaar groeiende belangstelling en contact van Van Duyse met Duitsland. Dat kadert in een meer algemene tendens die ook in het genootschap  ‘Tael is gantsch het Volk’ duidelijk speelt.

  • 1842: Zendt zijn ‘Vaderlandsche Poëzy’ op aan Frederik Willem IV van Pruisen. Delen worden door Ed. Dueler in het Duits vertaald.

3 april 1842: Het Nederduitsch Tael- en Letterkundig Genootschap wordt opgericht en Van Duyse wordt benoemd tot corresponderend lid.

1842: Treedt te Veurne in het huwelijk met Sophie Wouters (Veurne 1816-Gent 1889), met wie hij 5 kinderen kreeg. Eén van zijn zoons is Florimond (°1843), componist en musicoloog, die na de dood van zijn vader het archief bij elkaar zal houden en met aankopen uitbreiden.

8 juli 1844: Ligt mee aan de basis van de stichting van het Vlaemsch-Duitsch Zangverbond;  wat leidt tot enthousiaste kooruitvoeringen in Vlaanderen en het Rijnland.

  • Het Vlaemsch-Duitsch Zangverbond wou het Vlaamse koorleven op een hoger niveau tillen door samen te werken met Duitse koren. Er werden teksten gezongen in het Duits, het Nederlands en het Latijn. Men wilde op deze wijze ook de band tussen Vlaanderen en Duitsland aanhalen, de de Germaanse stamverwantschap tussen de Vlaamse en de Duitse cultuur benadrukken, in tegenstelling tot de zuiderse Franse.
  • 25 juni 1846: te Keulen wordt een zangfeest georganiseerd waar Mendelssohn dirigeerde en 21 Vlaamse koren aan deelnamen.

In de woelige jaren 1845 – 1850 neemt hij op het politieke forum een gematigde eerder voorzichtige positie in.

  • “Ja voorwaer, de Vlaemsche zake is eene zaek van rust, van orde, zoo dat zy ’t eeniger tyde, vroeg of laet, zeer wel zonder petitien aen de Kamers kan bestaen”,  schreef hij in 1852.
  • Van Duyse verzette zich tegen het gebruik van de term ‘beweging’, die hij associeerde met revolutie en ongrondwettelijkheid.
  • De bedoeling van de Vlaamse strijd was volgens hem het verspreiden van ‘ziels- en geestesverlichting onder alle standen des volks’.

Voor de rest was Van Duyse vooral een Groot-Nederlander in de culturele betekenis van het woord

1855:  Tot slot wordt Van Duyse, die aan het begin van zijn loopbaan in het onderwijs had gefaald, in 1855 alsnog benoemd tot titularis van het vak Vaderlandse Geschiedenis aan de Gentse Académie Royale de Dessin, Sculpture et Architecture.

1856: Van Duyse tekent met de weduwe van J.F. Willems een contract waarbij hij de rechten verkrijgt om het werk van Willems uit te geven.

1857: Richtte met Dautzenberg,  J. Heremans e.a. het onderwijzerstijdschrift De Toekomst op dat in de eerste plaats het Vlaamse onderwijspeil wilde omhoog trekken.

Van Duyse vertaalde ook uit het Latijn, Oudnoors en Oudhoogduits.

13 november 1859: Overlijden van Prudens van Duyse te Gent. Zijn uitvaartplechtigheid, met militair eerbetoon aan het sterfhuis op De Reep, wordt door duizenden personen bijgewoond.

Epiloog

  • 1860: Postume toekenning van de vijfjaarlijkse Staatsprijs voor de Vlaamse letterkunde 1855-1859 voor zijn werken ‘Jacob van Artevelde’ en ‘Nazomer’
  • 1861: Bijzetting van zijn stoffelijk overschot onder een praalgraf op Campo Santo (park A, kelder 39). Ontworpen en uitgevoerd door Antoon van Eenaeme.
  • 1882-1885: Uitgave van de “Nagelaten gedichten” in tien delen door zijn zoon Florimond, onder toezicht van Jan van Beers en Emanuel Hiel.
  • 1890: De Stad eert zijn nagedachtenis in 1890 met een naar hem genoemd Prudens van Duyseplein.
  • 1893: Oprichting van een standbeeld op de vlasmarkt te Dendermonde naar een ontwerp van Godfried Devreese (beeld) en Victor Horta (sokkel)

Van Duyse 0a              Van Duyse 0b

  • 1920: Het hele archief van Van Duyse – de handschriften van zijn werk, meer dan 4.000 onuitgegeven brieven en allerhande parafernalia (bv. in wedstrijden gewonnen eremedailles, zo’n 42) – werd in 1920 door Daniël van Duyse geschonken aan de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde.
  • 1975-1976: Eerste inventarisatie van de volledige briefwisseling van het archief onder leiding van Prof. Ada Deprez door Siegfried Bracke (gewezen journalist en voorzitter van het Vlaamse Parlement)
  • 2012: Inventarisatie van het volledige archief door Michel Nuyttens
  • 2016: Het archief komt onder het beheer van het Letterenhuis te Antwerpen.
  • 2017 e v:  Janneke Weijermars, docent Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Groningen werkt aan een biografie van de auteur. Ze heeft ook het ambitieuze plan opgevat om een (elektronische) editie  te maken van alle brieven van en aan Van Duysse.
  • Ook het Letterenhuis laat zich niet onbetuigd: deze instelling is alvast begonnen met het digitaliseren en on-line zetten van alle brieven.
    • Tevens wordt alle beschikbare archiefmateriaal onder haar beheer gerestaureerd.
    • Het hele archief is nu al ontsloten via de databank van het Letterenhuis.
    • Omdat  – door de vele contacten van Van Duyse en zijn verzamelwoede – er ook vele manuscripten van andere schrijvers zoals Frans Blieck, Johanna Courtmans-Berchmans, Johan Dautzenberg, Jan Frans Willems in het archief zitten, zijn er nog heel wat ontdekkingen te doen !

 

BEKRONINGEN

Voor zijn romantische, naar vorm classicistische poëzie werd hij bovendien tientallen malen bekroond in plaatselijke rederijkerswedstrijden (toen een  gangbare praktijk).

1838: De Brusselse Koninklijke Academie van Wetenschappen en Fraeye Kunsten onderscheidde hem voor zijn De Gentsche vaderbeul;

1859:  De vijfjaarlijkse staatsprijs voor Vlaamse letterkunde voor Jacob van Artevelde en Nazomer (beide uit 1859).

Hij was lid van de Académie Royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts.

Meer over P. van Duyse:

  • Frans de Potter: Volledige chronologische lijst der werken van Prudens van Duyse (1861)
  • Willem van Eeghem: Prudens van Duyse herdacht, 1804-1859 (1963)
  • Johan Decavele: Prudens van Duyse als stadsarchivaris van Gent, in: Heemkundige Kring De Oost-Oudburg, jaarboek (1974), p. 19-29
  • Jan Pauwels: Dichter in ballingschap? Prudens van Duyse en de Belgische omwenteling, in: Spiegel der letteren, 44 (2002), p. 148-168

 

GERAADPLEEGDE BRONNEN

Websites

Referenties

  • Ada Deprez, Bouwstenen voor een geschiedenis van de 19de –eeuwse Vlaamse poëziebeoefening (van Willems tot De Mont), in: Ada Deprez: Walter Gobbers; Karel Wauters (red.): Hoofdstukken uit de Vlaamse letterkunde in de 19de eeuw. Deel 3. KANTL Gent 2003.
  • Frans Peeters, “Te zijn of niet te zijn”, Toneelletterkunde en theaterpraktijk als manifestatie van burgerlijke beschaving, in: Ada Deprez: Walter Gobbers; Karel Wauters (red.): Hoofdstukken uit de Vlaamse letterkunde in de 19de eeuw. Deel 3. KANTL Gent 2003.
  • Johan Vanhecke, (Digi)tael is gansch het volk. Brieven van en aan Prudens van Duyse. in: Zuurvrij. Breichten uit het Letterenhuis nr 32 juni 2017 pp 76-83.
  • Siegfried Bracke: Duyse, Prudens Jan Marie van, in: Nationaal biografisch woordenboek 8 (1979), kol. 244-260.
  • Janneke Weijermars, ‘Enkel om U te verplichten’. Wederkerigheidin de correspondentie van Prudens van Duysse. In: Zacht Lawijd, jg. 17 nr 4, december 2018, pp71-92, Antwerpen, Letterenhuis.

SMAAKMAKER

 Op ’t land

Lieve, zie dat lindelover
Klimmen om mijn klemen huis.
’t Spreidt er koelte en geuren over,
Verre van het stadsgebruis.
Enkel schalt daar ’t vogelliedje,
Enkel suizelt daar het rietje,
Enkel ruizelt daar het vlietje
Sluimring op het mos, u toe.
Enkel klinkt er ’t herdersrietje,
Of ’t geloei der gladde koe.
O, daar wilde ik met u leven,
Met u, en ons lievend kroost;
Daar me reeds naar ’t veld begeven,
Vóór nog de eerste schemer bloost.
Na we de onzen zeegnend kusten,
En de zorg in sluimer susten,
Zou mij de avond met u lusten,
Stil bij de opgeklommen maan,
En ik wilde eens met u rusten,
Ginder, waar die kruisen staan

 

De wederkomst der koeijen

1849

 Wat geloei werd daer vernomen?
 ’t Is de koe die huiswaert gaet,
 Uit de groene weî gekomen,
 Van het malsche kruid verzaed.
  
 Onze buerman wacht zyn koeijen,
 Zingend, af; de lekkre melk
 Zal weldra in d’emmer vloeijen,
 Tot verzadiging van elk.
  
 Hoe kan ’t weîgras, dat ze scheeren
 En dat haer zoo weeldig voedt,
 In die stroomen melks verkeeren?
 Dat weet God, die ’t wonder doet.

 

Gedichtjes voor kinderen

’t Weldadige meisje
 
 ’t Was een zeer gestrenge winter; 
 Ieder kruimeltje, hoe kleen,
 Van de tafel overschietend,
 Hield Marietje stil byeen:
 Tweemael daegs ten hove gaende,
 Strooide ze alles mild daer heen.
  
 Daedlyk kwamen om te pikken
 Er een vogeltje vier vyf.
 Mietje sidderden de handen,
 Van de koude bleek en styf,
 En haer moeder zag vol vreugde
 Dit menschlievende bedryf,
  
 ‘Waerom doet ge dat, o Mietje?’
 ‘Moeder, sprak het zoete kind,
 Zoo gestreng is reeds de winter,
 Dat geen vogel iets meer vindt.
 ‘k Voede dien, en ik geloove,
 Dat de kleine my bemint.’
 
 Lachend zeî de goede moeder:
 ‘Kind, ik pryze dit beschik,
 Maer gy kunt niet allen voeden.’
 En, met liefdevollen blik,
 Zeide dit beminlyk meisje:
 ‘Doet elk kindje niet als ik?’

 

BIBLIOGRAFIE

Woordje vooraf

  • Het chronologisch overzicht wordt gevolgd door een overzicht per genre met hier en daar een korte inleiding.

De bibliografische gegevens werden onder meer nagekeken bij

  • Jan Micheels: Prudens van Duyse, zijn leven en zijn werken (1893)
  • Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience – Antwerpen
  • Koninklijke Bibliotheek van België – Brussel / Bibliothèque Royale de Belgique – Bruxelles
  • Poëziecentrum – Gent

Om de foto’s in de fotogalerij te vergroten klik op de foto

A.  Chronologisch overzicht

 Jaar  Titel  Fotogalerij  Uitgeverij 1 ste druk
1823  Lof der Toonkunst, opgedragen aan de heeren werkende leden en eereleden der toonkundige maatschappij der H. Cecilia, binnen Dendermonde, ten hunnen maaltijde van den 23 November, verjaardag-feest hunner Beschermster.  Dendermonde uit de Drukkerij van F.J. Ducaju en zoon.
 1823  De verderfelyke gevolgen van den hoogmoed  In: Verzameling der voornaamste dichtwerken op het gemeld onderwerp, ten prijskampe voorgesteld door de Maatschappij van Taal- en Dichtkunde te Deerlijk. Het eerste stuk pp 5-7 is van Pr. V. D.
 1824  De lof en zegepraal van den godsdienst<; – De dood van Lukretia.  In den Bundel ofte verzaemelinge der Dichtwerken en tooneel-uytgalmingen, die mede gedongen hebben in den prijskamp te Veurne, 1824
 1824  De zegepraal der onschuld.  Dendermonde : F.J. du Caju. -10p.
 1825  Dichtstuk over den heldenmoed der Vlamingen tegen de Fransschen betoond onder het bestuur van den graaf Guy van Dampière. Dendermonde: F.J. du Caju. Zoon -23p.
 1825 Jubelzang bij den 25ste verjaring der Akademie van teeken- en bouwkunst der stad Dendermonde, den 6 van wintermaand 1825, met aanteekeningen. Dendermonde : F.J. du Caju. -14p.
 1826  Griekenland, lierzang – Waterloo, kantate.

Uitgegeven ten behoeve der Grieken

 Brussel: J. C. Wittigh. -19p.
 1827  De invloed van het Tooneel – De Broedermin Lierdicht. Thielt: in de Verzameling der voornaemste dichtstukken die naer prys gedongen hebben te  Deynze.
 1829  Lofdicht op de Nederlandsche tael, door het Koninklijk Genootschap Concordia te Brussel bekroond en in het licht gegeven.

Herdrukt in Gedichten 1831

 Brussel: J. Sacré. -32p.
 1830 Pius VII gedurende zijne banning in Frankrijk, dichttafereel Gent: Van Ryckegem-Hovaere. -16p.

Gedrukt onder de Lofdichten op Pius VII, uitgegeven door de maatschappij van dicht- en tooneelkunde te Drongen, Gent, P.-F. de Goesin-Verhaeghe.

 1830  De wanorde en omwenteling op den Vlaemschen zangberg. In VI zangen, met eeuwigdurende aanteekeningen. (hekeldicht)  Gent: P. F. de Goesin-Verhaeghe. -94p.
 1831  Gedichten. (bundel) ‘s-Gravenhage : J. Immerzeel, Junior. -110p.
 1834 Aen België

Voor het eerst verschenen in de Courrier de la Dendre, 1834.
Herdrukt in Nagelaten gedichten, I, p. 201, 1882

‘In: Courrier de la Dendre

Gedicht waaraan de Gentse letterkundige maatschappij haar spreuk “ de Taal is gansch het Volk” ontleende.

 1836  Willem Tell. Treurspel in vijf bedrijven. (toneel)

Omwerking van een oorspronkelijk toneelstuk van Wouters

 Antwerpen: Drukk. We J. S. Schoesetters. – IV-62p.
 1837  De Stoomwagen. Dichtbespiegeling by het openen des ijzeren wegs van Dendermonde op Mechelen (2 January 1837) / Met eene Engelsche navolging door Jufvr.Suzette Somerset d’Arcy Irvine Gent: D.-J. van der Haeghen-Hulin -5p.
 1837 Verwelkomsgroet aen den kunstschilder J. van den Abeele, bij zijne terugkomst uit Rome Gent: D.-J. van der Haeghen -8p.
 1838  De invloed des tooneels op de volksbeschaving dichtstuk in vier zangen. (dichtstuk)  Geerardsbergen: Stocqart. -27p.
 1838  Tooneel-Bundeltje. (toneel)

Bevat 4 stukjes waaronder ‘De waerzegger’
 Gent: L. Hebbelynck. -86p.
 1839  De Gentsche Vaderbeul. Romance, aen welke de gouden eerepenning is toegekend door de Koninklijke Maetschappij van Schoone Kunsten en Letteren te Gent  Gent: Druk. D. J. Vanderhaeghen-Hulin. -12 p.
1839 Gerem Goethals: vaderlandsche ballade uit den riddertijd.

Herdrukt in Vaderlandsche Poëzy 1ste deel – Overgezet in Fransche verzen, Gen, C. Annoot-Braeckman, 18p.

Gent: L. Hebbelynck. -17p. en eene plaat
1840 Rubens menschlievendheyd: oorspronkelyk tooneelspel met zang, in drie bedryven en zes tafereelen. (toneel) Antwerpen: Dewever. -85 + IIp.
1840 Vaderlandsche Poëzy. (3dln) Gent: L. Hebbelynck. -3 vol. .- 208, 204 en 212p.
1840 De lekkerbek zonder geld: vervlaemscht blyspel met zang in één bedrijf. (toneel)

Bewerking van Le gastronome sans argent van Eugène Scribe en Xavier Brulay
Antwerpen: Dewever. -55p.

(In den Tooneelbundel der heeren Pr. Van Duyse, K. van Boekel, Th. Van Ryswysck en Em. Rosseels)

1841 Anton Van Dyck, of De reis naar Italië: blyspel met zang in drie bedryven. (toneel) Antwerpen: Dewever. -63p.
1841 De zwarte zuster. Gent: L. Hebbelynck. -13p.
1842 De spellingsoorlog: luimig heldendicht, in vier zangen, met aenteekeningen. Gent: T. en D. Hemelsoet. -176p.+ XVIIIp.
1842 Godfried, of De godsdienst op het veld. In vijf zangen (dichtstuk) Gent: Drukk. C Annoot-Braeckmann. VI-154 p. (ook Hoste)
1842 Natalia. Vier elegieën. (gedichten)

1850: Vermeerderde uitgaaf

Gent: C. Annoot-Braeckman -27p.
1842 Belegering van Dendermonde door Lodewijk XIV.  Historisch verhaal. Gent: Drukk. C Annoot-Braeckman. -30p. en eene plaat
1842 Vader Adam Vlaminc, ene scone sproke Gent: Drukk. C Annoot-Braeckman. -15p.
 1843 Dichtkransje voor de jeugd, ten vervolge op van Alphen’s Kindergedichten

Bevat van Van Duyse: Het ongehoorzaem kind (p.6); Moederliefde (p. 8); De schoolprijs (p. 10); De morgen (p. 15); Het biddens-uur (p. 26); De weduwe met haer kind (p. 34); Gods Liefde (p. 43); De eikel en de pompen, naar  Lafontaine (p. 47) De scholier, naar mevr. Desbordes-Valmore (p. 58)

Antwerpen: K. Oberst.
1843 Groentje in vier zangen, met andere luimige gedichten.

Oorspronkelijke auteur: GRESSET Jean Baptiste Louis. (1709-1777)
Oorspronkelijke titel: Vert-vert histoire d’un perroquet de Nevers. (1734)
Vertaald door Van Duyse.

Antwerpen: Oberst. -102p. + XIVp.
1843 Paul en Virginie.

Oorspronkelijke auteur: BERNARDIN DE SAINT-PIERRE, Jacques Henri (1737-1814)
Oorspronkelijke titel: Paul et Virginie (1788)
Vertaald door Van Duysse.

Antwerpen: Oberst. -167p. + XIVp.
1844 Gedichtjes voor kinderen. (kinderpoëzie) Dendermonde: uitgever niet vermeld. –[IV] + 96p.

Afmetingen: 16 x 11.50
1845 Philips-de-Goede en de dronkaert: vaudeville in drie bedrijven. (toneel) Antwerpen: J;-E. Buschmann. -52p.
1846 De zeilwagen van Simon Stevin. Naar de Latijnsche gedichten van Hugo Grotius

Vertaald door Van Duyse

Gent: Drukk. C Annoot-Braeckman. -51+ XVIp.
1847 By het eerste verjaringsfeest van het Vlaemsch-Duitsch zangverbond door dezes voorzitter voor Vlaenderen, Prudens van Duyse Gent: Drukk. C Annoot-Braeckman. -22p.
1848 De Zang des Germaenschen slaefs, oud -krijgsmakker van Ambiorix ; op een festijn binnen Rome. Antwerpen: J;-E. Buschmann. -20p.
1848 Het klaverblad. Romancen, legenden, sagen. Brussel: Greuze. -274+ XIVp.

Uitgegeven door de Maatschappij der Belgische Letterkundigen.

1848 Aan de Gentsche burgertooneelisten. (essay)
1849 Gedichtjes voor kinderen.

1885: Nieuwe uitgave bij De Seyn-Verhougstraete, Roeselare.
3de met portret des dichters en 4de uitgave ibidem.

Gent: Gebr. Van de Busscher. – [IV] + 98p.

Afmetingen: 16 x 11.50

1849 Nieuwe kindergedichten. (Versjes, fabelen, zangstukjes, zedespreuken en sprookjes).

1885: Nieuwe uitgave bij De Seyn-Verhougstraete, Roeselare.
3de uitgave met portret en levensbericht en 4de uitgave ibidem.

Gent: De Busscher frères. -[VI] + 118p.

Afmetingen: 16.50 x 12
1851 Prenteboekje voor bewaarscholen. Gent: T. en D. Hemelsoet. -18p.

Afmeting: 12.50 x 9.5
1853 Hulde aen Z.K.H. den Hertog van Braband, ter gelegenheid van zijn 18den verjaerdag. Bekroond gedicht van den Heer Prudens Van Duyse, Archivaris der Stadt Gent. In antwoord op de prijsvraeg uitgeschreven onder de Leden der Maetschappij: Voor tael en kunst, door het Genootschap Eendragt maekt macht, beide te Antwerpen. Uitgegeven ten voordele van arme huisgezinnen dezer stad. Antwerpen, F.J. Beerts, Boekhandelaer, Wolstraet, no. 930. -13+1p

Afmetingen:  ca. 21 x 14 cm.

1854 Verhandeling over den Nederlandschen versbouw. (2 delen)

Bekroond in den jare 1851, door de tweede klasse van het koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen, en uitgegeven door en voor rekening van het gouvernement der Nederlanden.

‘s-Gravenhage: Nijhoff. -2 vol. -340+VIIp. en 200+VIIp.
1854 Christiana. Legende. Tafereel in dicht. Ten behoeve der te herstellen doopvont van O.L.V. kerk te Dendermonde. Dendermonde: J. Ducaju, zoon.
1854 Volksleesboek voor middelbare en lagere scholen en Vlaamsche huisgezinnen.

Met medewerking van Dautzenberg

Brussel: G. Stapleaux. -376p.
1854 Antwerpen bij het vierde eeuwgetijde van Sint Lucas Gilde, in twee gezangen. Deels getoonzet door Leo de Burbure

Muziek: Léon de Burbure
Antwerpen: Gebroeders Peeters. -16p.
1855 By de vyf en twintigste verjaring der Septemberfeesten: uitboezeming. Gent: Drukk. C Annoot-Braeckman. -15p.
1855 Het huisgezin des meubelmakers, of: De nuttigheid der spaer- en voorzorgkassen. Door Courtray en Garant;Naer ’t bekroonde Fransche werk vertaeld door Prudens Van Duyse op verzoek van ’t Belgisch Staetsbestuer.

1868: Tweede uitgaaf bij Gent, Eug. Van der Haeghen

Gent: Van Dooselaere. -108p.

Afmetingen: 15.50 x 10 (blauwe papieromslag)

1855 De drie braven van lith. Ballade, uitgegeven ten voordele der slachtoffers van de watersnood. Utrecht: L.-E. Bosch. -12p.
1856 Nalatenschap van J.F. Willems.: dicht- en tooneelstukken, met inleiding, bijdragen en aenteekeningen. Gent: Gebr. De Busscher. -343p.
1856 Verhalen uit de geschiedenis van België

Auteurs: J. Dautzenberg en Prudens van Duyse

Gent: Eug. Van der Haeghen. -134p.
1856 Samenspraek tusschen Mertens van Aelst en Erasmus van Rotterdam, op den 6den Julij 1856. Gent: Eug. Van der Haeghen. -16p.
1858 Etude littéraire sur Tiel l’Espiègle.

Dienende tot inleiding van de herdrukte Histoire joyeuse et récréative de Tiel l’Espiègle, traduit de flameng e françois, A. Orléans, par Eloy Gibier (1531).

Gent: Boekhandel Duquesne. -35p.
1858 Middelnederlandsche Poëzie, deels hersteld, deels voor ’t eerst uitgegeven:

  1. Van die bitter tranen Ons Heren
  2. Van die Seven Vruechten Onser Liever Vrouwen;
  3. Van den wonden die Ons Here hadde aanden cruce.
Amsterdam: Van Langenhuysen
1859 Jacob Van Artevelde: episch verhael in acht zangen. Gent: E. Vander Haeghen. -111p.+ IVp.
     POSTUUM UITGEGEVEN
 1859  Nazomer. (Gedichten) Gent: E. Vander Haeghen. -204p.
 1859  Virgilius Herderzangen in dichtmaet vertaeld.

Vertaald door Van Duyse.
Gent: E. Vander Haeghen. -79p.
 1860 Verhandeling over den drievoudigen invloed der rederijkerskamers, voorafgegaan door een overzicht harer geschiedenis, tot antwoord op de volgende prijsvraag, uitgeschreven door de koninklijke Academie van kunsten, letteren en wetenschappen van België: “Quelle a été l’influence littéraire, morale et politiquede sociétés et des chambres de Réthorique dans les XVIII provinces des Pays-Bas et le pays de Liège ?”  Brussel: Hayez. -179p.

Overdruk uit: Collection in-8°: mémoires couronnés et autres. – 9
 1860  David Teniers te Grimbergen. (zangspel)  Gent: Van Dooselaere. -28p.
 1860  Cat’s invloed op de Vlaemsche letterkunde. (essay)  Brussel: Hayez. -36p.

Overdruk uit: Mémoires couronnés et autres, publiés par l’Académie royale de Belgique. – 11
1882
-1885
Nagelaten gedichten. (In 10 delen) Roeselaere: De Seyn-Verhougstraete.
NAGELATEN GEDICHTEN. (In 10 delen)  In ’t licht gegeven door Florimond van Duyse, onder toezicht van Jan van Beers en Em. Hiel.

  • 1ste deel: LYRIEK
    • Godsdienstige Lierzangen; – Oden; – Vaderlandsche Gezangen en Vaderlandsche Standbeelden; – Kunst en Taal; – Wijsgeerige Bespiegelingen; – Zangen des Tijds. VIII + 280p.
  • 2de deel: EPIEK
    • Reinaard de vos – Middeleeuwsch Dierenepos in zeventien zangen; Voor de eerste maal in zijn geheel en in de oorspronkelijke maat bewerkt. -VI + 258 + XIVp.
  • 3de deel: DICHTVERHALEN -VIII + 208p.
  • 4de deel: LUIM -VIII + 272p.
  • 5de deel: 1ste stuk LIEDEKENS – Oude en Nieuwe -VIII + 160p. 2de stuk: LAATSTE KINDERGEDICHTJES – X + 148p.
  • 6de deel: VERSCHEIDENHEDEN
    • Liefde en Huisgezin; – Elegieën; – Bijbelstoffen; – Godsdienstige Bespiegelingen; -XII + 272p.
  • 7de deel: VERSCHEIDENHEDEN
    • Historische Liederen; – Hekeldichten; -Albumverzen – Tweespraken; – Cantaten; – Fabelen, Pastischen; – Varia -X + 240p.
  • 8ste deel: VERTALINGEN EN NAVOLGINGEN
    • Uit het Grieksch; – Uit het Latijn; – Uit het Modern Latijn; – Uit het Oostersch, Italiaansch enz. -VIII + 216p.
  • 9de deel: VERTALINGEN EN NAVOLGINGEN
    • Uit het Hoogduitsch; – Uit het Fransch; – Fabelen -X + 258p.
  • 10de deel: RIJMINVALLEN -XIV + 264p.

De catalogus vermeldt expliciet: “Deel I wordt in geen geval afzonderlijk verkocht. Hiervan zijn afzonderlijk verkrijgbaar à Frcs 2.50 : deel II, III, IV, V, VI, VII; VIII, IX en X”

1883 Laatste kindergedichtjes. In ’t licht gegeven door Florimond van Duyse, onder toezicht van Jan van Beers en Em. Hiel. Roeselaere: De Seyn-Verhougstraete. -148p.

Afmetingen: 22 x 15
1883 Drie winteravonden. Vertellingen voor kinderen. Roeselaere: De Seyn-Verhougstraete. -48p.
1883 Reinaard de Vos. Middeleeuwsch dierenepos in zeventien zangen, voor de eerste maal in zijn geheel en in de oorspronkelijke maat bewerkt. Met aanteekeningen door den schrijver.
2de uitgave

1887: 3de uitgave. Met portret van den Dichter en platen naar L. Richter. Roeselare, De Seyn-Verhougstraete, 1887. (X)-206-(2)p.

1891:  Vierde uitgave. Met onuitgegeven portret en handschrift des dichters en een en twintig platen versierd.Roeselare, De Seyn-Verhougstraete, [1891]. (XII)-213-(3)p.
Van deze vierde uitgave kennen we:

  1. a) een genaaide uitvoering met het omslag gedrukt in rood en zwart;
  2. b) een met goud bedrukte, in rode percaline gebonden uitvoering.

Er zijn ook exemplaren verschenen bij S. Warendorf Jr., Amsterdam: o.a. in verguld bruin halflinnen.

Roeselaere: De Seyn-Verhougstraete. (Volksuitgave – genaaide uitvoering) -(VI)-259-(1)-X-(2)p.+ erratablaadje.

 

1886 Roodkapje en nog eene Vertelling voor kinderen. Roeselaere: De Seyn-Verhougstraete. -16p.
1888 De jaargetijden. Een kinderspel met koorgezang.

Muziek van G. Calle Reinaert bert
Roeselaere: De Seyn-Verhougstraete. -8p. (muziek)
1889 Bloemlezing uit Prudens van Duyse’s gedichten tijdens zijn leven verschenen.

Samengesteld door Florimond van Duyse m m v Jan van Beers.

Roeselaere: De Seyn-Verhougstraete. -272p.
1894 Fabelen. Roeselaere: De Seyn-Verhougstraete. -48p. Ill.

Afmetingen: 22 x 14.50
1894 Cendrillion. Roeselaere: De Seyn-Verhougstraete. -16p.
1894 Jaakje met zijn fluitje. Eene vertelling voor kinderen. Roeselaere: De Seyn-Verhougstraete. -16p. Ill.
1894 Smeken-Smêe. Vertelling voor kinderen. Roeselaere: De Seyn-Verhougstraete. -16p.
1907 Gedichten

Verzameld en ingeleid door Victor de Meyere .
I : Uit de werken tijdens zijn leven verschenen .
 II : Uit de nagelaten gedichten
Aalst: De Seyn-Verhougstraete. -2vol.
1920 Prudens van Duyse.

Samengesteld door Victor De Meyere
Aalst: De Seyn-Verhougstraete -236p.

Reeks: Keurbladzijden uit Nederlandsche schrijvers. – Aalst; vol. 1920: 4
1942 Bloemlezing uit zijn dichtwerk. (bloemlezing)

Bezorgd en ingeleid door Dr. Paula Sterkens-Cieters.
Bevat: Inleiding; In den greep van de rederijkerij; Epiek; Huiselijke lyriek; Godsdienstige en wijsgeerige lyriek; Kindergedichtjes; Pastiches; Luim; Gelegenheidspoëzie.
 van duyse 1 klassieke_galerij_11 Antwerpen: Nederlandsche Boekhandel. -120p.

Reeks: Klassieke galerij. – Antwerpen; vol. 11
2010 De bibliomaen. (bibliofiele uitgave)

Met ingekleefde foto.
Prudens Van Duyse schreef dit gedicht in 1858 bij de openbare verkoop van de rijke boekenverzameling van de één jaar eerder overleden Gentse bibliomaan François Borluut de Noortdonck, en publiceerde het in het Gentse tijdschrift “De Eendragt”. Het gedicht is nooit herdrukt of gebundeld..
Kalmthout: Carbolineum Pers.

Deze eerste uitgave in 150 jaar verscheen als klein boekje, met een fotoportretje van Van Duyse en in een schuifdoosje

 

B.  Overzicht per genre met hier en daar een korte inleiding.

 

Diversen (Ballades, gelegenheidswerkjes – een selectie)

  • Dichtstuk over den heldenmoed der Vlamingen tegen de Fransschen betoond onder het bestuur van den graaf Guy van Dampière.(1825)
  • Griekenland, lierzang. Waterloo, kantate. (1826)
  • De Stoomwagen. Dichtbespiegeling by het openen des ijzeren wegs van Dendermonde op Mechelen (2 January 1837)
  • De Gentsche Vaderbeul. Romance. (1839)
  • Gerem Goethals: vaderlandsche ballade uit den riddertijd. (1839)
  • Belegering van Dendermonde door Lodewijk XIV. (1842)
  • Vader Adam Vlaminc, ene scone sproke. (1842)
  • By het eerste verjaringsfeest van het Vlaemsch-Duitsch zangverbond door dezes voorzitter voor Vlaenderen. (1847)
  • Antwerpen bij het vierde eeuwgetijde van Sint Lucas Gilde. (1854)
  • By de vyf en twintigste verjaring der Septemberfeesten: uitboezeming. (1855)
  • Nalatenschap van J.F. Willems.: dicht- en tooneelstukken. (1856)
  • Jacob Van Artevelde: episch verhael in acht zangen.(1859)

Essays

  • De wanorde en omwenteling op den Vlaemschen zangberg. (1830)
  • De invloed des tooneels op de volksbeschaving. (1838)
  • De spellingsoorlog. (1842)
  • Aan de Gentsche burgertooneelisten (1848).
  • Verhandeling over den Nederlandschen versbouw. (2 delen) (1854)
  • Cat’s invloed op de Vlaamsche letterkunde.(1860)
  • Verhandeling over den drievoudigen invloed der rederijkerskamers. (1860)

Poëzie

Als dichter was Van Duyse sterk beïnvloed door zijn lectuur van Bilderdijk, Tollens, Feith, Lamartine en Schiller. Van temperament een volbloed romanticus, bracht hij zijn rijpste werk voort in de lyrische poëzie. Hij was echter een ongelofelijk produktief dichter die zowat alle genres (mengelbundels, epische en historische poëzie, lyrisch-elegisch werk, lijkklachten, jubeldichten, oden en lierzangen, sonnetten cantates, balladen, didactische poëzie en hekeldichten) met evenveel gemak beoefende en daarbij niet altijd werd gehinderd door al te veel zelfkritiek.

  • Lofdicht op de Nederlandsche tael. (1829)
  • De wanorde en omwenteling op den Vlaemschen zangberg. (1830)
  • Gedichten. (1831)
  • Vaderlandsche poëzy. (3dln)
  • Godfried, of De godsdienst op het veld. (1842)
  • Natalia. Vier elegieën. (1842)
  • De Zang des Germaenschen slaefs. (1848)
  • Het klaverblad. (1848)
  • Nazomer (1859)
  • Nagelaten gedichten. (In 10 delen) (1882-1885)
  • Gedichtjes voor kinderen.(1849)
  • Nieuwe kindergedichten. (1849)

 

Toneel

Over de toneelproductie van van Duyse schrijft Frans Peeters in “Te zijn of niet te zijn”, Toneelletterkunde en theaterpraktijk als manifestatie van burgerlijke beschaving. (Hoofdstukken uit de geschiedenis van de Vlaamse letterkunde in de 19de eeuw deel 3 p 283-284.

“De Dendermondse jurist Prudens van Duyse heeft zich meer met vertalingen beziggehouden dan met eigen dramatisch werk (o.a. Scribes ‘Le gastronome sans argent’ als ‘De lekkerbek zonder geld’, 1840). Wel besefte hij het belang van goed theater voor de volksontwikkeling, maar zelf ontbrak het hem aan talent om dit ook in de praktijk waar te maken. Zijn volksverheffend standpunt heeft hij uitgeschreven in ‘Aan de Gentsche burgertooneelisten’ (1848). Hij liet zich inspireren door J.F. Willems’ eerherstel van onze nationale kunstenaars-helden in ‘Rubens’ menschlievendheid’ (1840), ‘Antoon Van Dijck, of de reis naer Italië’ (1841), en ‘Teniers te Grimbergen’ (1860). De stukjes mochten dan al op bijval rekenen, zowel door de kritische tijdgenoot als in de eerste gewogen evaluaties werden ze ongenadig neergesabeld: “Het stuk is een echte vod”, schreef de nochtans milde Persyn over ‘Rubens’; nog scherper was van Duyses kunstbroeder Van Kerckhoven die het had over een “misgeboorte” omwille van “het bombastische der taal, de dorre versificatie en de vervelende langdradigheid”. Zijn dichtstuk ‘De invloed des tooneels op de volksbeschaving’ (1838) is van belang omdat Van Duyse er de plaats aangaf die het drama en theater in de burgerlijke samenleving moet innemen. Wanneer hij aansluitend een ‘Tooneelbundeltje’ samenstelde, dat een viertal stukjes bevat, waaronder ‘De waerzegger’ (1838) , dan vindt men er inhoudelijk wel een illustratie van zijn programma maar vormelijk schoot hij ook hier schromelijk te kort.

  • Willem Tell. Treurspel in vijf bedrijven. (1836)
  • Teniers te Grimbergen (1860)
  • Tooneel-Bundeltje. (1838)
  • Rubens’ menschlievendheid. (1840)
  • Anton Van Dyck, of De reis naar Italië. (1841)
  • Philips-de-Goede en de dronkaert: vaudeville in drie bedrijven.(1845)

Vertalingen

  • De lekkerbek zonder geld: vervlaemscht blyspel met zang in één bedrijf. Bewerking van Le gastronome sans argent van Eugène Scribe en Xavier Brulay. (1840)
  • Groentje in vier zangen, met andere luimige gedichten. / Gresset Jean Baptiste Louis.(1843)
  • Paul en Virginie. / Bernardin de Saint-Pierre, Jacques Henri. (1843)
  • De zeilwagen van Simon Stevin. /De Groot Hugo (1846)
  • Het huisgezin des meubelmakers, of: De nuttigheid der spaer- en voorzorgkassen. Door Courtray en Garant; (1855)
  • Virgilius Herderzangen in dichtmaet vertaeld. (1859)
  • Reinaard de Vos. Middeleeuwsch dierenepos in zeventien zangen, voor de eerste maal in zijn geheel en in de oorspronkelijke maat bewerkt. (1883)