home | Inloggen
Aantal schrijvers: 528 | Aantal boeken:

15394

Van Ackere Doolaeghe, Maria

Maakt deel uit van: , ,

Maria Doolaeghe

Diksmuide, 25 oktober 1803 – Diksmuide, 7 april  1884

Maria Van Ackere –Doolaeghe  was een romantische dichteres, liberaal orangiste en flamingante.

Men noemde haar –wat overroepen- de Vlaamse Sappho of Vlaamse Dubitade.

 

BIOGRAFIE

25 oktober 1803: Geboren te Diksmuide.

1818: Overlijden van haar vader

  • Na de lagere school in Diksmuide en twee jaar “pensionaat” te Ieper (de kostschool van de Ronsbrugge-dames) moest Maria Doolaeghe na het overlijden van haar vader, een pottenbakker, terug naar huis om er als oudste kind haar moeder, een handelaarster, te helpen.
  • Ze zou verder worden opgeleid onder de vleugels van haar oude onderwijzer en dorpsrederijker, meester P.J. Gheysen, die haar zeer vroeg leerde alexanrijnen te schrijven, en van de befaamde rederijker-dichter David de Simpel, die haar inleidde in de dichtkunst, terwijl Lodewijk de Roo, de plaatselijke notaris, haat toegang verleende tot zijn bibliotheek.
  • Haar literair debuut speelde zich geheel in de rederijkerskringen af.

6 augustus 1826: Inzending van “Opkomst, groei en bloei der Dichtkunst” voor de wedstrijd ‘Getrouwen van Herten’ te Ieper.

  • Zij zou er de eerste prijs gekregen hebben, mocht zij aanwezig zijn geweest bij de proclamatie. David de Simpel kreeg de prijs in haar plaats, maar heeft haar de medaille achteraf bezorgd.

3 augustus 1828: Een tweede opdracht “Lofzang op Homerus”. Weerom was ze als eerste gerangschikt, maar niet aanwezig op de prijsuitreiking en werd iemand anders bekroond.

1934: Verwierf ruime bekendheid met haar ode ‘Aen de Belgische dichters’, het inleidende stuk tot de Nederduitsche letteroefeningen (1834), een hulde aan oude en jongere Vlaamse schrijvers en een oproep mee te werken aan de herleving van de poëzie.

Neen ! de eedle taal van Nederland
Zal nooit in ’t nachtlyk duister zinken

En verder

Geteisterd door den vloekbren Mars,
Ligt Zuid en Noord aan een gespleten;
Maer, kunstmin voert de dichtren dwars
Door schutgevaerte en vestingketen,
Weer bieden zy elkaer de hand,
Als kindren van één vaderland

 

3 augustus 1835: Zond voor Yver en Broedermin een gedicht in, “De Belgen beminnaers van Kunsten en Wetenschappen”. Het waren echter Rens en Franz Jozef Blieck die bekroond werden.

1835: Eerste prijs voor haar inzending “Treurzang op het afsterven van den dichter J.B.J. Hofman” voor de rederijkerskamer ‘De kruisbroeders’.

  • Haar laatste bemoeienis met de rederijkerskamers vond plaats bij De Zuigelingen van Polus uit Zottegem met “De dood van Graef Egmont”. Prudens van  Duyse kreeg toen de eerste prijs, zijzelf de tweede.
  • Ze was erelid van een aantal West- en Oost-Vlaamse rederijkerskamers: als vrouw kon ze immers geen gewoon lid worden, zoals ze evenmin – zoals hierboven blijkt –  bij de bekroning van ingezonden gedichten bij wedstrijden, zelf de prijs in ontvangst mocht nemen, wat dan diende te gebeuren door een van haar vrienden.

1835-1836: Interessante sentimentele briefwisseling tussen Frans Blieck en Doolaeghe, terwijl Van Duyse (als mededinger) met beiden ook contact onderhield.

  • Uit deze zeer vertrouwelijke reeks brieven spreekt een grote gevoeligheid, die ook inzicht geeft in de maatschappelijke problemen waarmee de betrokkenen worstelden. Wat ook opvalt is de duidelijke, warme en tegelijk nuchtere wijze waarop Maria tegenover Blieck, die maar niet aan een huwelijksaanzoek toekwam, haar gevoelens weergaf.
  • Drie factoren hebben uiteindelijk “eenen dichterlijke echt” verhinderd: haar familiale en handelsverplichtingen, waarbij de zorg kwam voor een oom en een gehandicapte jongste broer. Daarom huwde ze met Bruno Van Ackere, die haar een zorgeloos bestaan verzekerde.
  • Het is jammer dat haar overige uitgebreide briefwisseling (een tweeduizend stuks) door oorlogsomstandigheden in het belegerde Diksmuide tijdens WO I vernield raakte.

1836: Huwelijk met Bruno van Ackere, vroed- en heelmeester te Kortrijk, later chicoreifabrikant en lid van de gemeenteraad. Het werd een harmonieus huwelijk, dat haar ook, naast haar eigen handel, enige welvaart verschafte.

  • Maria Doolaeghe was een liberale orangiste, die zich in 1830 nog pro-Nederlands opstelde, samen met de Diksmuidse kern van het vroegere ‘Tot Nut van ’t Algemeen’.
  • Dat orangisme bleef ze levenslang overtuigd belijden, maar vanaf 1939 stelde ze zich ook als flamingante op, wat zich o.m. uittte in haar enthousiaste deelname aan de gezamenlijke Nederlandse taal- en letterkundige congressen.

Ze werkte mee aan vele tijdschriften in Vlaanderen en Nederland; Zij werd spoedig populair, ook in Nederland.

In 1862 haalde ze nog een oplage van 800 exemplaren. Peter Benoit zette zelfs gedichten van haar op muziek.

1876-1878: Nog voor haar overlijden verscheen haar verzameld dichtwerk in drie delen in Nederland (1876-1878).

  • Ze bezat talent, maar toch wordt veel van haar poëzie ontsierd door bombast en wansmaak, oratoriek en gezwollenheid, conventie en geleerdheid.
  • Haar verzen over moederschap en gezin, over sociale toestanden, over arbeiders en hun beroepen, en over haar verdediging van het feminisme zijn nog te waarderen en soms ontroerend en doorvoeld. Maar haar vaderlandse poëzie, met zijn opgeschroefde heldenverering komt vandaag zeer overdreven over.

7 april 1884: Overleden te Diksmuide.

Meer over MariaVan Ackere-Doolaeghe

  • WP-lexicon; Oosthoek;
  • G. Debreyne-Dubois, Poésies de Madame V.A., née Maria Doolaeghe (1867);
  • E. van Bergen, Eene Vlaamsche dichteres, mevr. Van Ackere-Doolaeghe (1883);
  • F. van den Weghe, ‘Dubitade’, in Eigen beelden en schetsen (1904);
  • L. Goemans, in Biographie Nationale de Belgique, 26 (1936-1938); Huldedag Maria Doolaeghe (1976);
  • P. Couttenier, ‘Maria-Francisca Doolaeghe, de Belgische Sappho’, in: R. Schenkeveld-van der Dussen (red.). Met en zonder lauwerkrans. Schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd 1550-1850 (1997), p. 835-846.

 

Geraadpleegde bronnen

Websites

Referenties:

  • Ada Deprez: Walter Gobbers; Karel Wauters (red.): Hoofdstukken uit de Vlaamse letterkunde in de 19de eeuw. Deel 3. KANTL Gent 2003.
  • Liselotte Vandenbussche: Het veld der verbeelding. Vrijzinnige vrouwen  in Vlaamse literaire en algemeen culturele tijdschriften. KANTL 2008

 

SMAAKMAKER

 

Gelyk een Roos.

Gelyk een roos in ‘t groene veld,
Aen d’eenzaemheid gewend,
Door eenen storm wordt neêrgeveld
In ‘t midden van haer lent;
Dit lot is aen een maegd besteld
Die de liefde niet en kent.
 
Wien heeft het leven ooit behaegd
‘t En zy hy heeft bemind?
En die geen ware liefde draegt,
Kiest immers eenen vrind.
Zeg my, wie is uw lief, o maegd,
Die plaets in uw herte vindt?
 
Schoon dat gy met myn woorden spot,
Uw hert zal u verraên,
De pylen van den minnegod
En kunt gy niet ontgaen.
De liefde, neen, dat magtig lot
Kunt gy niet wederstaen.

 

BIBLIOGRAFIE

De bibliografische gegevens werden onder meer nagekeken bij

  • Erfgoedbibliotheek Hendrik  Conscience  – Antwerpen
  • Koninklijke Bibliotheek van België – Brussel / Bibliothèque Royale de Belgique – Bruxelles.

Om de foto’s in de fotogalerij te vergroten klikt u op de foto

Chronologisch overzicht

Jaar Titel Fotogalerij Uitgeverij 1ste druk
1834 Nederduitsche letteroefeningen. (gedichten)
Hierin haar ode ‘Aen de Belgische dichters’.
1840 Madelieven. (gedichten) Dixmude : Drukk. Vancuyck-Gyole. -153p.
1840 Dichtstuk bij de inhuldiging van den nieuwen steenweg van Dixmude op Pervysen
1849 Palfyn, vaderlantsch gedicht. Gent: Snoeck-Ducajou.
1850 De avondlamp. (gedichten)
Waarin het gedicht ‘Huwelijksheil’, geschreven na haar huwelijk (in 1836) met Van Ackere, verloskundige te Kortrijk;
Van Ackere 1 Gent: De Busscher. XXVIII-354p.
1855 Den wel edelen heer De Breyne-Peellaert, herkozen als burgemeester der stad Dixmude, 1855, ten dage zijner inhuldiging. Dixmude: Drukk. Vancuyck-Gyole. -8p.
1857 De schoone kunsten in België, prijsvaers, bekroond in 1857 te Gent. Gent: Zetterman
1859 Elegie op het afsterven van mijnen kunstvriend Prudens Van Duyse, overleden te Gent den 13 November 1859. Gent: Boekdrukkery I. S. Van Dooselaere. -15p.
1860 Aen den heer Vrambout, bij zijne plegtige intrede als gouverneur van Westvlaenderen, te Dixmude, op den 17 July 1860. Dixmude: Drukk. Vancuyck-Gyole. -8p.
1861 De Verjaerdag, 13 November 1860. Gent: Boekdrukk. I. S. Van Doosselaere. -13p.
1862 Sinte Godelieve, Vlaemsche legende uit de XIde eeuw. (dichtwerk) Gent: Drukkery van Eug. Vanderhaeghen. -52p.
1862 De brandramp van Antwerpen, 2 december 1861. Antwerpen: Buschmann. P 1-8
Overdruk uit: De Vlaemsche school. – 8(1862)
1864 Uitboezeming bij de vriendenmaeltijd, gehouden door het letterkundig vlaemsch genootschap, onder kenspreuk “De Ware van Duyse’s Vrienden”, te Dixmude, op het jaerlijksch feest, plegtig gevierd op 10 Mei 1864, als de verjaerdag zijner stichting / door de Eerevoorzitster, vrouwe Van Ackere, geb. Maria Doolaeghe.
1868 Winterbloemen. (gedichten) Gent: Drukkery van Eug. Vanderhaeghen. -354p.
1869 Najaarsvruchten. (gedichten) Gent: Drukkery van Vanderhaeghen. -238p.
1872 Petronella Moens, Holland’s blinde dichteres, mijne Noordnederlandsche kunstvriendin in België herdacht in 1872. Antwerpen : Druk. L. Dela Montagne. -31p.
Overdruk uit: De Vlaamsche Kunstbode.
1873 Vreemde harpen. (vertalingen)
1874 Het jubelfeest van den heer Feys-Kesteloot, tooneelbestuurder der Maatschappij van Rhetorica : Nu, morgen niet, te Diksmuide, 4 December 1874. Diksmuide: Drukk. Van Cuyck-Gyole.
1876 Madelieven en avondlamp. (gedichten) ’s Gravenhage: Belinfante. -212p.
1876 Hare Vereenigde Dichtwerken. Vol 1 ’s Gravenhage: Belinfante. -110p.
1877 Najaarsvruchten en winterbloemen. (gedichten) ’s Gravenhage: Belinfante. -320p.
1878 Nieuwste gedichten. (gedichten)
Vereenigde dichtwerken Vol 3
 ’s Gravenhage: Belinfante. -170p.
1884 Jongste dichtbundel. (gedichten)
Met het portret van de schrijfster op 80-jarigen ouderdom
 Roulers: de Seyn-Verhougstraete. -306p.

POSTUME UITGAVEN

Jaar Titel Fotogalerij Uitgeverij 1ste druk
1968 Bij ‘t lichte naaldewerk. WVS-Cahiers
1993 Ackere Dolaeghe, Maria van & Johanna Desideria Courtmans-Beeckmans. “Mijne hooggewaardeerde vriendin”: Brieven van —‘
eds. L. Fonteyne en M. de Schepper.
In: Miscellania Denise de Weerdt

 

 

Aanwezigheid in bloemlezingen uit de 19de en 20ste eeuw

  • In  ‘Onze dichters’ uit 1880: 7 gedichten.
  • In Vermandels ‘Vlaemsche poëtiek’ van 1854: 3 gedichten.
  • Bij Heremans twee
  • Bij Westerlinck nog één
  • Bij de moderne estheet Gilliams geen enkel meer.
  • In Spiegel van de Nederlandse poëzie uit 1979: één lang gedicht

 

Publicaties in tijdschriften

Bron: Liselotte Vandenbussche: Het veld der verbeelding. Vrijzinnige vrouwen  in Vlaamse literaire en algemeen culturele tijdschriften. p.415-435;

  • De Eendragt/De Eendracht, 1846-1879:  4 publicaties
  • Nederlandsche Dicht- en Kunsthalle 1878-1897: 8 publicaties
  • Onze Vlag, 1884: 3 publicaties
  • De Toekomst 1857-1898: 21 publicaties
  • Vlaamsch Museum, 1875: 1 publicatie
  • De Vlaamsche Illustratie, 1886-1893: 1 publicatie
  • De Vlaamsche Kunstbode, 1871-1913: 36 publicaties
  • De Vlaamsche School, 1855-1901: 10 piblicaties
  • De Zweep, 1869-1888 (1959): 2 publicaties

 

De Eendragt/De Eendracht, 1846-1879

‘Bij het afsterven van mijn ouden vriend Rens’ De Eendracht 29 (1875), 58
‘Het 70ste verjaarfeest van den Hollandschen dichter Dr Wap, gevierd op den eersten mei 1875’ De Eendracht 29 (1875), 103-104
‘Ter nagedachtenis van vrouwe Jacqueline Wap-Guljé, echtgenoote van dr. J.J.F. Wap’. De Eendracht 30 (1876), 94
‘Aan Karel Bogaerd den dichter van den Zomerkrans, eerbiedig opgedragen aan Hare Majesteit’. De Eendracht 30 (1876), 102

 

Nederlandsche Dicht- en Kunsthalle 1878-1897

‘Mijnen vriend, den Dichter Doctor Wap’ NDKH 1 (1878-1879), 121
‘Dr J.J.F. Wap herdacht in België’. NDKH 3 (1880-1881), 9-12
‘Het Februari-Viooltje’ NDKH 4 (1881-1882), 145-146
‘Wilhemina Bilderdijk’ NDKH 4 (1881-1882), 248-251
‘Getroffen liefde’ NDKH 4 (1881-1882), 433-434
‘De laatste zang van Lord Byron’ NDKH 5 (1882-1883), 159-162
‘Hij schudde zijn volk wakker’ NDKH 6 (1883-1884), 288-289
‘In het album van mevr. Bosboom-Toussaint, Hollands beroemde romanschrijfster’. NDKH 6 (1883-1884), 556

 

Onze Vlag, 1884

‘Antwoord aan de jeugdige dichteres, mevrouw Nollet de Brauwere van Steenland, geb. Servais’. OV 1 (1884:2), 84
‘Te laat beklaagd’ OV 1 (1884:2), 84
‘Moederliefde’ OV 1 (1884:2), 85

 

De Toekomst 1857-1898

‘De kwade stiefmoeder’ De Toekomst 20 (1876), 111
‘Uitboezeming’ De Toekomst 20 (1876), 312
‘Taalbederf’ De Toekomst 20 (1876), 352
‘Ach moeder !’ De Toekomst 20 (1876), 397
‘Een kinderoffer’ De Toekomst 20 (1876), 506
‘De kunstsympathie’ De Toekomst 21 (1877), 446
‘Het schamel kind’ De Toekomst 24 (1880), 401-402
‘Lied’ De Toekomst 24 (1880), 448-449
‘Het spinnewebje’ De Toekomst 24 (1880), 495
‘I. Daar ligt ge van ’t heelal vergeten. II. Grootmoederken.’ De Toekomst 25 (1881), 64-65
‘Moeders leesboek en vaders viool’. De Toekomst 25 (1881), 173-174
‘I. Aan den tachtigjarigen Weledelen Heer De Breyne-Peelaert. II. Aan mijne vijftigjariege getrouwe Hollandse vriendin Mevrouw Redelé. III. De Dichter Van Duyse vergeten. De Toekomst 25 (1881), 494-497
‘I. Taalbederf. II. Kinderedelmoedigheid. III. Dankbetuiging aan den Hollandschen Dichter B. Ter Haar. De Toekomst 25 (1881), 540-542
‘Gevallen trots’ De Toekomst 26 (1882), 60
‘De Toovertijd’. De Toekomst 26 (1882), 260-261
‘Het geitenwachtertje’ De ‘Toekomst 26 (1882), 446-447
‘Het omver geworpen huisje’ De Toekomst 26 (1882), 494
‘Juffrouw Catharina De Costere’ De Toekomst 27 (1883), 19-20
‘Het open venster. Naar het Engelsch van Longfellow’. De Toekomst 27 (1883), 253
‘I. Onze Vlaamsche Visschers; II. Aan mijne veelgeachte vriendin, mevrouw David Van Peene De Toekomst 27 (1883), 501-503
‘Een albumblad voor mevrouw May’. De Toekomst 28 (1884), 143-144

 

Vlaamsch Museum, 1875

‘De dichter Prudens van Duyse vergeten’ Vlaamsch Museum 1 (1875), 366-367.

 

De Vlaamsche Illustratie, 1886-1893

‘De Vlaamsche muziekgeest’ DVI 3 (1888), 317.

 

De Vlaamsche Kunstbode, 1871-1913

‘Willems, Vlaanderens taalverdediger’. DVK 1 (1871), 149-155.
‘De eerste ruiker’ DVK 2 (1872), 17-18
‘De tehuiskomst. Naar Le Retour à la maison van M.Ch. Rogier, Minister van Staat’. DVK 2 (1872), 112-117
‘Klein moederken’ DVK 3 (1873), 343-344.
‘De kleine korenraapster’ DVK 3 (1873), 535.
‘I. Het geitenwachtertje. II. Avondlied. DVK 4 (1874), 14-15
‘Aan den Waalschen volksdichter Antoon Clesse’. DVK 4 (1874), 203-204
‘Onzen avond nadert’. DVK 4 (1874), 441-443.
‘Grafkransje’ DVK 4 (1874), 535-537
‘Willem de Mol’. DVK 5 (1875), 61-62
‘I. Mijn 72ste verjaardag; II. Huiselijk lief en leed’. DVK 5 (1875), 298-300.
‘Huiselijk lief en leed (vervolg)’. DVK 5 (1875), 440-441.
‘I. Aan Mejuffer C. Beersmans; II. Aan Peter Benoit’. DVK 6 (1876),  166-168
‘De Ruyters tweede eeuwfeest’. DVK 6 (1876),  251-255.
‘Heilwensch’ DVK 6 (1876),  440-441.
‘Treurtoon’. DVK 6 (1876),  488.
‘Rooken’ DVK 7 (1877), 26
‘Een halve eeuw geleden’. DVK 7 (1877), 27
‘I. Het gegeven woord’. DVK 7 (1877), 29-60
‘Petronella Moens, Hollands blinde dichteres’. DVK 7 (1877), 183-196, 259-264, 323-327 & 371-379.
‘De Vlaamsche muziekgeest’ DVK 7 (1877), 209-210.
‘Het huis-ten-Bosch’. DVK 7 (1877), 348-350.
‘Onze huwelijksliefde’ DVK 8 (1878), 15-16
‘Felix en Roosje’ DVK 8 (1878), 139-161.
‘De laatste ruiker’ DVK 9 (1879), 254-255.
‘Twee kerelsvrouwen’ DVK 10 (1880), 108
‘Onzalig lot’ DVK 10 (1880), 206.
‘Tranen’ DVK 11 (1881), 20-21.
‘Nagalm der Huldebetooging aan Mev. Bosboom-Toussaint’. DVK 12 (1882), 27
‘Dankzegging aan den Weledelen Heer Rollin Jacquemyns’. DVK 12 (1882), 58-59
‘Dankwoord’ DVK 12 (1882), 358-360
‘Het vijf-en-twintigste verjaringsfeest der stichting van het Nationaal Tooneel te Antwerpen’ DVK 12 (1882), 398-399.
‘Het eerste communiekraagje’ DVK 12 (1882), 445.
‘Het zieke hondje’ DVK 13 (1883), 110
‘Hulde aan mijne hooggeachte vriendin, Mevr. Courtmans, geboren Berchmans’. DVK 13 (1883), 261-263.
‘Den heere Pieter Lanssens’. DVK 15 (1885), 114

 

De Vlaamsche School, 1855-1901

‘De brandramp van Antwerpen’. DVS 8 (1862), 1-3.
‘Aen den heer David van Peene, toen ik mijn zoontje in zyn opvoedingsgesticht leidde’. DVS 8 (1862), 116-117.
‘Den weledelen heer K. Vervier’. DVS 9 (1863), 57-59.
‘Het weesje’ DVS 16 (1870),  41.
‘Aan mevrouw Lina Schneider te Keulen’. DVS 26 (1880),  15-16.
‘De Belgische vrouwen’. DVS 26 (1880),  30.
‘Tranen op het graf mijner dierbaren echtgenoot’. DVS 27 (1881),  43
‘In het feestalbum van mevrouw Courtmans, geboren Berchmans’. DVS 29 (1883), 99-100.
‘Hulde aan mijn hooggeachte vriendin’. DVS 29 (1883), 102
‘Mijn tachtigste verjaardag’ DVS 29 (1883), 183

 

De Zweep, 1869-1888 (1959)

Gelegenheidsgedicht aan Felix Vandevoorde. De Zweep 10 (1878)
Gedicht. De Zweep 15 (1883)