home | Inloggen
Aantal schrijvers: 548 | Aantal boeken:

15793

Blieck, Frans Jozef

Maakt deel uit van:

Frans Jozef BLIECK


Frans Jozef Blieck in 1951 (Letterenhuis)

Wervik, 24 december 1805 – Wervik, 28 april 1880

De beoefening van de literatuur stond bij hem niet voorop; Net als bij Ledeganck vond hij dat er ‘ernstigere’ bezigheden in zijn leven waren.

Het grootste deel van zijn literaire activiteit speelt zich af in kringen van de rederijkerskamers

Politiek en mentaal stond hij in de behoudsgezinde lijn van de door hem bewonderde Bilderdijk.

Hij was een tijdlang orangist, daarna (lauw) strijdend Vlaming en lid van verschillende culturele verenigingen als bijv. “De Tael is gansch het Volk”.

BIOGRAFIE

24 december 1805: Frans Jozef Blieck wordt geboren te Wervik.

  • Vanaf zijn 14de reeds begint Blieck met toneelspelen in het rederijkersmilieu (oa bij de Wervikse rederijkerskamer De Droogaers)

1830: Gaat dichten, leert Maria Doolaeghe kennen en andere vrienden uit Gent.

  • Hij werkt druk mee aan een aantal, vooral Gentse tijdschriften, zoals Nederduitsche Letteroefeningen of Kunst- en Letterblad.
  • Zijn dichtbundels geeft hij meestal uit in eigen beheer en schenkt ze – gefortuneerd als hij later wordt- weg.

25 juni 1830: Debuut bekroond te Roeselare door de Zeegbare Herten met “Het nut van den Katholyken Godsdienst op de samenleving

1834: Mist nipt te Brussel de eerste prijs –die gaat naar Ledeganck – met “De triomf der nationale onafhankelijkheid. Het lot des vaderlands. Dichtstuk.”

1835: Wint te Brugge bij Yver en Broedermin met de “Belgen beminnaers van kunsten en wetenschappen

In hetzelfde jaar behaalt zijn werkstuk “Treurzang op het afsterven van den dichter J.B.J. Hofman” de tweede prijs bij de Kruisbroeders (Maria Doolaeghe behaalt de eerste prijs).

1835-1836: Binnen het zgn. literaire klaverblad, gevormd door Frans Blieck, Maria Doolaeghe en Prudens Van Duyse,  ontstaat een interessante sentimentele briefwisseling .

  • Zowel Frans Blieck als Van Duyse dingen naar de hand van de ‘dichteresse uit Diksmuide’. Blieck zou zelfs in 1835 kortstondig met haar zijn verloofd. Toch zal zij met geen van beiden huwen. maar wel op 26.4.1836 met Bruno Van Ackere, vroed- en heelmeester te Kortrijk, die haar een zorgeloos bestaan verzekerde.

Blieck reageert enigszins bitter op deze afwijzing: “Wy zyn beiden gefopt geweest door eene arglistige vrouw; Zy scheen ons te beminnen, wen wy waren slechts ’t voorwerp eener vuigen speculatie”, schrijft hij aan Van Duyse. (Blieck aan Van Duyse, Wervik, 27 mei 1836 [Letterenhuis]

  • In tegenstelling tot Blieck zal Van Duyse Doolaeghe blijven helpen als literaire mentor en bemiddelaar bij verschillende van haar publicaties. Tevens fungeerde hij als corrector en promotor van haar teksten.
  • Ook met Blieck zal Van Duyse verder blijven corresponderen en zal er een merkwaardige vriendschap uit voortvloeien. De twee zullen als elkaars klankbord fungeren. Ze wisselen teksten uit en wijzen elkaar doorlopend op nieuwe ontwikkelingen en publicaties op letterkundig gebied.

1836: De eerste prijs te Oostende bij Wat Ryp, wat Groen, komt Wysheid voên met “De knagingen van een boos geweten”. én met de “Losse onbezonnenheid der jeugd”.

1838: Zijn laatste deelname aan rederijkerswedstrijden te Assenede “Een tafereel uit de Belgische geschiedenis: de heilige Dymphna” verkrijgt de gouden erepenning.

Veel stellen deze werkstukken niet voor, maar iets van de ouderwetse en post-classicistisch geïnspireerde idee van de dichtkunst blijft hem dierbaar: namelijk het gebruik van de alexandrijn dat hij zowel openbaar als bij vrienden zoals Johan Michiel Dautzenberg zal blijven verdedigen.

1842: Notaris te Izegem na eerst jaren een opleiding als notarisklerk te hebben gekregen in Kortrijk, Brussel en Veurne.

Af en toe maakt de hoogdravendheid van de gelegenheids- en prijskamppoëzie plaats voor eenvoudigere en meer persoonlijke verzen. Men vindt ze in zijn Mengelpoëzy ( in drie delen: 1839, 1850 en 1863) en zijn late Lentetuiltje. Met biographische aanteekeningen. (1873)

1850: Op medisch advies moet hij wegens overspanning volledig ook intellectueel, rust nemen.

1863: Publicatie van het derde deel Mengelpoëzy.

1873: Zijn laatste publicatie: Lentetuiltje. Met biographische aanteekeningen

28 april 1880: Frans Jozef Blieck overlijdt te Wervik.

MEER OVER BLIECK

  • P. De Keyser, “De driehoeksverhouding E.A. Snellaert, F.J. Blieck en Prudens van Duysse (1836-40)”,  in: Spiegel der Letteren, IV, 1960, 2, 81-98.
  • J.P. Reniers, Frans Jozef Blieck ( Wervik 1805 – Wervik 1880), dichter, flamingant en voorstander van de Vlaamse Beweging. Tentoonstelling (…) Cataloog, Wervik 1980.
  • L. Valcke, Frans Jozef Blieck op vrijersvoeten en daarna”. in: Verslagen en Mededelingen van de Stedelijke Oudheidkundige Commissie van Wervik, XV, 1980, 1-13
  • Vandromme, “Honderd jaar na Frans Jozef Blieck (1805-1880)”, in:  Ten Mandere, XX, 1980, nr 58, 242-244.
  • A.M. Renier, “Frans Jozef Blieck en de politiek van zijn tijd”,  in: Verslagen en Mededelingen van de Stedelijke Oudheidkundige Commissie van Wervik, 1987, 89-116.
  • de Vos, “Het gedachtengoed in de psalmenvertalingen van Fr.J. Blieck”, in: Gezelliana, IV, 1992, 32-38.

GERAADLEEGDE BRONNEN

Websites

Referenties

  • Ada Deprez, Bouwstenen voor een geschiedenis van de 19de eeuwse Vlaamse poëzie-beoefening (van Willems tot De Mont), in: Ada Deprez: Walter Gobbers; Karel Wauters (red.): Hoofdstukken uit de Vlaamse letterkunde in de 19de eeuw. Deel 3. KANTL Gent 2003.
  • Janneke Weijermars, ‘Enkel om U te verplichten’. Wederkerigheid in de correspondentie van Prudens van Duysse. In: Zacht Lawijd, jg. 17 nr 4, december 2018, pp71-92, Antwerpen, Letterenhuis.

SMAAKMAKER

Uit: De triomf der nationale onafhankelijkheid. (aanhef)

De vrijheid schoot haer laetse voncken
En dreigde een eeuwig ondergaen
Het Vaderland, in rouw gezonken,
Hief vruchteloze klachten aen.
De lage vleizucht, laffe logen,
Omringden een gedoemd vermogen,
En leenden klem aan d’yzren staf.
Waer blijft den landaerd te onderwinden?
Zijn klaegstem kan geen toegang vinden;
Men keert ze met versmading af.
 
Vervolgd in strengen boei geklonken,
Of, baling, zwervend uit het land;
Zie daer, wat loon hem wordt geschonken
Die ’t onregt moedig tegenkant.
Eilaes ! gemarteld, afgestreden
Als uitschot in het stof vertreden,
Der wormen spot zijn wij in de smart.
Vermeetlen ! hoe, hoe durft ge ’t wagen,
Zoo lang den fieren leeuw te plagen ?
Wee, wee hem, die zijne woede tart.

BIBLIOGRAFIE

De gegevens van deze bibliografie werden onder meer nagekeken bij

  • Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience – Antwerpen.
  • Koninklijke Bibliotheek van België – Brussel / Bibliothèque Royale de Belgique – Bruxelles

Chronologisch overzicht

Jaar   Titel  Fotogalerij  Uitgeverij 1ste druk
 1834  De triomf der nationale onafhankelijkheid. Het lot des vaderlands. Dichtstuk.

“met den tweeden gouden eerpenning te Brussel bekroont, in september 1834”
 Kortrijk: Drukkery van Blanchet-Blanchet.
 1836  De knagingen van een boos geweten.
 1839  Mengelpoëzy – le deel  Kortijk: Jaspin. -140p.
 1850  Mengelpoëzy – Tweede deel  Roesselaere: Stock-Werbrouck.
 1854  Proeve van vertaling in vrye dichtmaet van het psalmboek.  Antwerpen: Drukkery der gebroeders Peeters.
 1856  Geschiedenis der Wervicksche rederykkamer, oudtyds genaemd Droogaers.  Rousselaere : De Brauwer-Stock. -39p.
1863 Mengelpoëzy – 3e deel.
1873 Lentetuiltje. Met biographische aanteekeningen. Wervick : Vansuyt-Deltour. -43p.
1875 Twee blauwe schenen: tafelspel tusschen twee vrienden, muziekanten. Antwerpen: Dela Montagne. 8p.

Overdruk uit: De Vlaamsche kunstbode