home | Inloggen
Aantal schrijvers: 536 | Aantal boeken:

15559

Dautzenberg, Johan Michiel

Maakt deel uit van:

Johan Michiel Dautzenberg

Heerlen, 6 december 1808 – Elsene, 4 februari 1869

 Was achtereenvolgens secretaris, notarisklerk, onderwijzer, huisleraar, boekhouder.

Literair werk omvat ‘Gedichten’ (1850), “Beknopte Prosodia der Nederduytsche Taal” (1851), waarin hij zich  vurig voorstander toonde van het behoud en het opnieuw invoeren van allerlei Nederlandse taalarchaïsmen. Ook actief als vertaler ‘De Giftdrank’, een schouwspel in twee bedrijven door Emile Augier (1851)

Richtte in 1857 met o.a. P. van Duyse, J. Heremans het onderwijzerstijdschrift De Toekomst op, waarin hij over pedagogische onderwerpen schreef.

Vanaf de jaren ’40 leverde hij regelmatig bijdragen aan tijdschriften als het ‘Nederduitsch Letterkundig Jaarboekje’, het ‘Kunst- en Letterblad’, ‘Het Taelverbond’, ‘Vlaemsch België’, ‘De Broederhand’, ‘Der Pangermane’, ‘De Moedertael‘ en vooral aan ‘De Toekomst’.

Vele gedichten van Dautzenberg werden nooit gebundeld en bevinden zich in de vele brieven die hij aan zijn
vrienden schreef.

BIOGRAFIE

6 december 1808: Geboren te Heerlen (heden Nederland)

  • Beroepshalve was hij achtereenvolgens secretaris, notarisklerk, onderwijzer, huisleraar, boekhouder.
  • Als oudste zoon van een meesterkleermaker volgde hij in een dorpsschool lager onderwijs en kreeg hij privé lessen Latijn bij kapelaan Mieris en ook Duits.
  • De bedoeling was een toekomstig priesterschap; dit werd niet gerealiseerd, waarschijnlijk door de verplichting om eerst twee jaar voorbereiding te volgen in het Collegium Philosophicum te Leuven, een verplichting die door Willem I was opgelegd en waarvoor de financiële middelen ontbraken.

1926: Trok als privé-secretaris van graaf van Belderbosch, een tijdlang naar Parijs.  Na enkele maanden was hij -na de dood van zijn moeder-  te Heerlen terug, waar hij eerst notarisklerk en vervolgens klerk bij een ontvanger van belastingen te Maastricht werd. Daarna trok hij als onderwijzer naar Bergen (Mons) en Doornik.

1830: Leraar Frans te Gent, waar hij Prudens van Duyse leerde kennen.

1831-1839:  Toen de revolutie losbarstte, ging  graaf François Dumonceau, met de Prins van Oranje naar Engeland, zijn gezin vertrok naar Vilvoorde, waar het zijn intrek nam bij Mevr. Aubremé, de grootmoeder van de kinderen. Dautzenberg vergezelde de familie als huisleeraar naar het landgoed. Daar hij dacht dat de troebelen hoogstens een zestal weken konden duren, rekende hij er op terug naar Gent te keren, zijn verblijf te Vilvoorde zou dus maar van korte duur zijn. Hij verbleef er echter negen jaar als huisleraar van diens kinderen(drie dochters en twee zonen)

  • In zijn vrije uren beoefende Dautzenberg de poëzie in het Frans en het Duits, later uitsluitend in het Nederlands.

1838: Bij de familie Dumonceau leerde hij de dochter van den vrederechter van Vilvoorde, Melanie Maillart, kennen, met wie hij op 18 oktober 1838 in het huwelijk trad.

  • Na zijn huwelijk zocht hij een meer lucratieve betrekking. Die vond hij bij de Société Générale de Banque, waar hij te Chatelineau als rekenplichtige toezicht moest houden op  de ijzersmelterij en de kolenmijnen der Société de Commerce de Bruxelles.

1840: Vanaf de jaren ’40 leverde hij regelmatig bijdragen aan het ‘Nederduitsch Letterkundig Jaarboekje’, het ‘Kunst- en Letterblad’, ‘Het Taelverbond’, ‘Vlaemsch België’, ‘De Broederhand’, ‘Der Pangermane’, ‘De Moedertael‘en vooral aan ‘De Toekomst’, waarvan hij in 1857 medeoprichter was, en waarin hij over pedagogische onderwerpen schreef. Voor een overzicht van deze publicaties zie achteraan de bibliografie.

1841: Benoemd tot boekhouder van de Société de Commerce te Brussel. Nam zijn intrek bij zijn schoonouders te Vilvoorde.

1844: Vestigde zich te Elsene.

  • Hij had twee dochters: Emilie, die de vrouw werd van de Vlaamse dichter Frans de Cort, en Adèle, die in het huwelijk trad met de heer Piré, leraar aan het koninklijk Atheneum te Brussel. Zijn zoon Philippe werd een van de bestuurders van de kunsttapijtweverij Braquenié te Parijs.

1845: Betrokken als secretaris bij het o.m. door Van Duysse gestichte “Vlaemsch-Duits Zangverbond”.

1850: Publicatie van zijn eerste bundel “Gedichten” bij C. Mucquardt te Brussel. Dautzenberg beleefde veel genoegen aan dit bundeltje, dat werkelijk een nieuw, fris geluid in de Vlaamse literatuur liet horen. Hij stelde het vooral op prijs, dat Nicolaas Beets zo vleiend over zijn gedichten schreef.

Tevens publiceerde hij een letterkundig werk: “Beknopte Prosodia der Nederduytsche Taal”, waarmee hij zijn collegae-dichters trachtte terug te brengen tot de klassieke metra.

  • Dautzenberg toont zich in zijn bundel ‘Gedichten’  een gedreven voorstander van de antieke metra, waarmee hij tegen het ‘eentonig geklapper van iamben en trochaeën’ wilde ingaan.
  • Zijn theorieën ontwikkelde hij in zijn Beknopte Prosodia der Nederduitsche Taal, eerst uitgegeven in het Taalverbond (6e jg., 7e dl. 1850) en daarna afzonderlijk te Antwerpen bij H. Peeters, 1851.
  • De opvattingen, die hij hier ontwikkelt komen bijna woordelijk uit Dr. Joh. Christ. Aug. Heyse’s Deutsche Schulgrammatik, hoofdstuk Verslehre. Door deze theorie, die hij met warmte en talent verdedigde, oefende Dautzenberg een niet geringe invloed op de zienswijze, die Prudens van Duyse daarover ontwikkelde in zijn Verhandeling over den Nederlandschen Versbouw, bekroond door het Nederlandsch Instituut (‘s Gravenh. 1854).
  • Dautzenberg was ook vurig voorstander van het behoud en het opnieuw invoeren van allerlei Nederlandse taalarchaïsmen. Hij pleitte herhaaldelijk voor het gebruik van het oude du, voor het streng in achtnemen van alle buigingsuitgangen, tegen het vervangen van de datief- en genitiefbuiging door omschrijving met aen en van, enz. Dit is te verklaren niet alleen door wat de dichter zelf zijn conservatieve aard noemt, maar ook omdat in zijn Limburgs dialect veel van dit alles nog leefde en ook, omdat het Hoogduits zijn Nederlands taalgevoel beheerste.

1851:  De bijval van deze twee uitgaven moedigde Dautzenberg aan. Bij zijn uitgever C. Mucquardt verscheen in diens ‘Uitlandsche Tooneelbibliotheek’ (Ie jaar nr. 3 – de voorrede is van 5 Aug. 1851 -) De Giftdrank, een schouwspel in twee bedrijven door Emile Augier in Dietsche iamben vertaald door Dautzenberg.

  • Dautzenbergs vertaling van Augier’s werk maakte indruk. Hij werd door de regering benoemd tot lid van de jury voor den driejaarlijkschen Vlaamschen tooneelprijskamp in 1859 en in 1862.

1857: Richtte met P. van Duyse, J. Heremans e.a. het onderwijzerstijdschrift De Toekomst op, waarin hij over pedagogische onderwerpen schreef.

  • Hij dichtte natuurlyriek en schreef verder liederen, romances en gedichten over de Vlaamse taalstrijd. August Vermeylen noemde hem later de eerste volkomen-bewuste letterkundige in Vlaanderen.
  • Men kan Dautzenberg als een van onze eerste formalisten karakteriseren. Kenmerkend is dat hij een evenwicht poogt te bereiken tussen vormbeheersing en natuurlijkheid: hij schreef metrische, vaak rijmloze verzen en verkoos de hexameter – soms in combinatie met de pentameter (distichon) – boven de stijve, kale alexandrijn.
Alexandrijn ! op vreemden grond geboren,
Gij hebt te lang mij in het oor geruischt,
Eentonigheid kan enkel dan bekoren,
Wanneer niets schooners zacht ons tegensuist.

Uit zijn gedicht “ Aan den Heere Blieck”

Dit formalisme zou hij doorgeven aan Frans de Cort, Jan van Droogenbroeck en tot op  zekere hoogte ook aan Pol de Mont.

Men kan Dauzenberg bezwaarlijk een romanticus noemen. Slechts ten dele baadt zijn poëzie nog in de romantiek. Toch zijn de meeste thema’s traditioneel romantisch: heimwee en natuurgevoel, gedichten over het buitenleven en zijn geboortestreek. Het realistische zit hem eerder in de tempering van het gevoel of in de behandeling van mensentypen of beroepen, waaronder we zelfs een ode aan de mijnwerker, ‘de Berghwerker’ terugvinden.

1862: Werd benoemd tot Ridder in de Leopoldsorde.

  • Levensbeschouwelijk was hij aanvankelijk katholiek, later liberaal. Orangistische en pan-Germaanse sympathieën waren hem niet vreemd.
  • Hij stelde zich altijd gematigd en verzoenend op, wars van de tweespalt tussen katholieken en liberalen. Steeds was hij principieel in zijn verdediging van de Vlaamse taal.
  • Bij de benoeming tot Ridder in de Leopoldsorde schreef hij aan Beets, dat “een kleine wet ter gelijkstelling der beide landstalen hem meer genoegen had verschaft”.

1863: Werd ernstig ziek – hij leed aan astma en bronchitis – en werd literair minder actief.

4 februari 1869: Overleed te Elsene.

Epiloog

  • In het jaar van zijn dood publiceerde zijn schoonzoon, de dichter Frans de Cort, ‘Verspreide en nagelaten Gedichten’.
  • In zijn inleiding tot dezen bundel kondigde de uitgever aan, dat hij eerlang een reeks vertalingen, waaronder een vijftigtal oden van Horatius, in het licht zou zenden. Daar kwam echter niets van. De Horatius-vertalingen geraakten zelfs zoek.
  • Teruggevonden in 1910, verschenen ze onder impuls van Mevrouw de Wildeman – de Cort, Dautzenberg’s kleindochter in 1923 als : Horatius’ Oden, metrisch vertaald door J.M. Dautzenberg met inleiding van Dr. M. Sabbe (Wwe Monnom, Brussel 1923).
  • Nog later werden zeventig brieven, die worden bewaard in het Plantijn-Moretus Museum te Antwerpen, uitgegeven.
  • In 1908 werd naar aanleiding van de honderdste geboortedag een gedenkplaat onthuld, die nu in de Heerlense Openbare Bibliotheek te zien is.

 

GERAADPLEEGDE BRONNEN

Websites

Publicaties

 

SMAAKMAKERS

Het duivenprieel

 Gij wilt uit nacht en winter,
Gij wenst een warm tafreel,
Gij kijkt om u heen en vindt er
Een vriendelijk duivenprieel.

Nauw dringt er de zonne binnen,
Zij tovert door ‘t naaste verschiet;
Drie duifjes beginnen daarbinnen
Te zingen een tortellied.

Drie zusters zijn het, dat raad je:
De oudste een ontluikende knop,
Het jongere paar, dat praat je
Nog graag van bikkel en pop.

De oudste trenst, en haar kluwen
Verbreedt zich tot strik en net;
Hoe zou zij blozen en gruwen,
Zo zij zag hoe ik op haar let.

Mijn winter wordt tot zomer.
… Toch sluit ik de ogen dicht!
Want ach, mij grijze dromer
Verblindt zulk hemels gezicht.

ODE AAN VLAANDEREN

—ˇˇ-, -ˇˇ-ˇ-

—ˇˇ-, -ˇˇ-ˇ-

–ˇˇ-ˇ-ˇ

ˇˇ-ˇˇ-ˇ-

Zie ‘k diep somber op ’t lot mijner gebroederen schaar
O, dan prangt me de smart jammerlik hart en geest:
Diep verzonken het geslacht dat vroeger,
Zoo verheven stond.
 
Toen nog Vlaenderens taal, zuiver en ongemengd,
Schrikvol klonk den tiran, die ze verkrachten wou,
Toen ’t land en spraak geheiligd
En bemind was bij oud en jong:
 
Toen ’t Vlaemsch lied zich verhief tegen den franschen wind,
Toen ’t goudlaken alhier dracht van den lande was,
Toen woonde op den vrijen bodem
Een geslacht dat begraven ligt.
 
Waant niet zonen te zijn dezes verheven volks;
Bastaards zijt ge voorwaar, fier op een vreemden tooi,
Uw eigene taal, de glorie
Des verledenen, kent ge niet.
 
Slechts één land is op aard, waar men de moedertaal
Smaadvol onder ’t gezwets eener uitheemsche dooft;
Ook nadert de wraak des hemels
En verzwonden is ’t ééne land !
 
Uit “gedichten”

 

Een grote dichter wordt ik nimmer

Een grote dichter wordt ik nimmer,
‘k Gevoele dit maar al te wel;
Want zing ik, ’t geldt mijn dorpje immer,
En ’t een of ander beuzelspel.

Ginds zie ik gras en biezen groenen
Langs ’t vlietje slechts in ’t dorp gekend,
Daar loop ik in mijn kinderschoenen,
En ’t dorpje schijnt me zonder end.

Ik hoef daar naar geen enkel lied te zoeken,
Daar klinken liedren overal.
De vreugde lacht uit alle hoeken,
De vreugde woelt op berg en dal.

Er ligt geen plekje op Gods aarde,
Dat mij zo lief, zo jeugdig is,
Dat mij zo veel genoegen baarde,
En zo geringe droefenis.

En daarom zal geen lied mij lukken,
Wanneer ik niet die plaats bezing,
Waar ik als kind mocht bloemen plukken,
In ’t midden van mijn vriendenkring.

De madelieven en violen,
De vissen in de zilvervliet,
En ’t blonde meisje uit de molen,
Die werden vaak door mij bespied.

Zo zoet als ’t meisje was geen suiker,
Als zij tot mij haar stem verhief,
Als zij me dankte voor een ruiker,
En zeide: “Vriend, ik heb u lief!”

Ik lach om ’t lot en al zijn grillen
Thans nog, als ik aan d’ engel denk:
Ja, ‘k voel dan nog mijn harte trillen,
Wat euvel ook mijn lichaam krenk’.

‘k Vergeet dan zelfs mijn grijze haren,
En d’ afstand van mijn blijde jeugd,
Het bloed rolt frisser daar mijn aëren,
Als dit en dat mij weder heugt.

Een grote zanger wordt ik nimmer,
‘k Gevoele dit maar al te wel;
Want zing ik, ’t geldt mijn dorpje immer,
En ’t een of ander beuzelspel.

 

BIBLIOGRAFIE

Woordje vooraf

De chronologische bibliografie wordt gevolgd door een overzicht van een selectie van in tijdschriften verspreide publicaties. Tot slot volgt een kort overzicht van teksten die op muziek zijn gezet.
Vele gedichten en korte prozateksten werden nooit gepubliceerd en bevinden zich in brieven die Dautzenberg aan zijn vrienden toestuurde.

De gegevens van deze bibliografie werden onder meer nagekeken bij

Om de foto’s in de fotogalerij te vergroten klikt u op de foto.

Chronologisch overzicht

Jaar Titel Fotogalerij Uitgeverij 1ste druk
1846 Melchior, baron van Diepenbrock, vorstbisschop van Breslau: Herdersbrief aen het gezamentlik eerweerdige priesterschap en alle geloovigen des bisdoms, by zyne ambts-aenveerding uitgegeven. – Vertaeld door J.-M. Dautzenberg. Antwerpen: Buschmann. -34p.
1847 Wilkomsgruss dem Deutsch- Vlämischen Sängerbund – Welkomgroet den Duitsch- Vlaemschen Zangverbonde, te Gent den 26 Juni 1847. (1847) Gent:  Delevigne, C. Callewaert.
1847 Daagliks te zingen.
Mins du niet den duitschen klank
Dan bist du geen Vlaming meer.
Gent: Delevigne en Callewaert.
1847 Lenzeslied.
Frei sonder Zügel
Mit leichtem Flügel.
Gent: Delevigne.
1847 Das deutsche Lied. Het Vlaemsche Lied. Gent: Delevigne
1847 Légendes et traditions du Rhin. Traduit, d’après le texte allemand de F.-J. Kiefer, par J.M. Dautzenberg (avec une gravure sur acier) Cologne:, F.-C. Eisen, -303p
z.d. Liefde op den yzeren weg. – Novelle door Heinrich Koenig, vertaald door J.-M. Dautzenberg In: Broederhand’, II, p. 211-232.
1850 Gedichten Brussel: C. Mucquardt.  –XV. 200p.
1851 Beknopte Prosodia der Nederduitsche Taal.
1850: Eerst verschenen in ‘Taelverbond’, (6e jg., 7e dl. p. 345); 
Antwerpen: Hendrik Peeters. -32p.
1851 De Giftdrank / Emile Augier ; In Dietsche ïamben vertaeld door J.-M. Dautzenberg.
Oorspronkelijke auteur: EMILE AUGIER.(1820-1889)
Oorspronkelijke titel: La Ciguë.
Dit stuk was het debuut van Augier; werd 13 Mei 1844 voor het eerst te Parijs opgevoerd.
Brussel: C. Mucquardt. -62p.
Reeks: Uitlandsche Tooneelbibliotheek. (Ie jaar nr. 3 – de voorrede is van 5 Aug. 1851 -)
1852 Nederlandsche Tael- en Dichtvormen. In: ‘Handelingen 3e Nl. Tael en Lett. Congres’, p. 73 e.v.
1852 Loverkens.
Hertaalde versie van gelijknamige gedichtenbundel van Hoffmann von Fallersleben
1853 Een Oud Niewjaer, of De Vinger der Voorzienigheid. Avond-en morgenstrael uit een knapelyns leven. Antwerpen : J.-E. Buschmann. -14p.
Overdruk uit: Taelverbond 9e deel, p. 7.
1854 Over de noodzakelijkheid eener nieuwe omwerking der Nederlandsche spraekkunst. In: ‘Handelingen 4e Nl. Tael en Lett. Congres’, p. 39 e.v.
1854 Danhuizer. – (met twee bewerkingen den hoogduitschen tekste nagevolgd). In: ‘Taelverbond’, 1854, dl ‘Geschiedenis’, p. 49-60
1854 Volksleesboek voor middelbare en lagere scholen en Vlaemsche huisgezinnen / door J. M. Dautzenberg en Pr. van Duyse. Brussel: C. Mucquardt. –V+ 379p.
Afmetingen: 17 x 11
1856 Verhalen uit de Geschiedenis van België ,die Dautzenberg uitgaf in samenwerking met P. van Duyse.
1862: 2de editie bij Eug. Van der Haegen te Gent
1866: 3de editie bij Lebrun-Devigne te Gent  volgens de nieuwe spelling (aangenomen door de centrale commissie van onderwijs), hfdst. 3 en 10 (vervangen door een ander, ongenoemd letterkundige (Fr. De Cort?)
1883: 4de editie bij Hoste te Gent
Gent: Eug. Vanderhaeghen -134p.
Afmetingen: 20.50 x 12.50
1856 Verslag over den Vlaemschen prijskamp, door ‘s lands bestuer uitgeschreven, bij gelegenheid der vijf en twintigjarige Jubelfeesten, toegewijd aan Z.M. Leopold I.
Ook in de ‘VI. School’, 1856, p. 118.
 Brussel: ??
1857 Dr J. Nolet de Brauwere van Steeland : Het groote dietsche vaderland. Hoogduitsche vertaling van J.-M. Dautzenberg.  Brussel: ??
1857 Fr. Oetker: De Vlaemsche Taelstryd. Vertaald door J.-M. Dautzenberg. Gent: I.S. Van Doosselaere. -80p.
1860 Redevoering Frans de Potter, Pr. Van Duyse herdacht, door J.-M. Dautzenberg. Gent:
1860 Verslag over J. Van Maerlant, door J.-M. Dautzenberg. Gent: I.-S. Van Doosselaere
1862 Verslag aen den Heer Minister van Binnenlandsche Zaken ingediend over den driejaerlykschen Tooneelpryskamp in Vlaemsche Tael. – Brussel, den 26 April 1862 Brussel: -15p.
Overdruk uit het Staatsblad v. 26-IV-62
1862 Strydige richtingen sedert drie, vier eeuwen der Hoog-en Neerduitsche taelleeraren. Redevoering gehouden op het vyfde Nederlandsche taelkongres te Antwerpen den 15 en 16 augustus 1856.
Afzonderlijke uitgave.
1856: in Handelingen van het vijfde Nederlandsch Taal-en Letterkundig Congres .pp 74 e.v. – (1856)
1860:  overgedrukt in ‘De Toekomst’, 1860, p. 321
Gent: W. Rogghe. -12p.
Overdruk uit: Handelingen van het vijfde Nederlandsch Taal-en Letterkundig Congres .pp 74 e.v. – (1856)
1862 Brugsche Beyaertgroet, 8 September 1862  Brussel: -4p., in-8.
1867 De doop.  In: het ‘Taelverbond’, VIIIe dl., p. 421.
1867 De moriljen.
1860: Het stuk werd in drie tijdschriften tezelfdertijd opgenomen. We treffen het onder titel ‘Reizeherinnering’ of van ‘De Morillen’ aan in het Ned. Lett. boekje, 1860, blz. 43, in de Vl. School, 1860, p. 62, en in den Volksalmanak v. Ned. Kath., 1860, blz. 52.
1867: Verscheen er tevens een in het Fransch door Ch. Potvin vertaald fragment van in ‘L’Art flamand’ (Bruxelles) onder den titel ‘Les Morilles’
1887: Later opgenomen in ‘Nos poètes flamands’, 1830-1880, choix de morceaux traduits en vers français. (Roulers, 1887, De Seyn-Verhougstraete.)
Antwerpen: Marchand. -8p.
1869 Verspreide en nagelaten gedichten.
Deeltitels: Buitenleven, Herinneringen aan Limburg, Natuurbeelden, Zangen der Lente, Schilderijtjens, Liederen, Legenden en Romancen, Vlaamsche Taalstrijd, Mengelingen, Loverkens en Gelegenheidsstukken.
1875: 2de goedkope editie bij F. Claassen te Brussel, Oostende, Leipzig.
Antwerpen: L. J. De Cort. -399p.
 POSTUUM UITGEGEVEN
1894 Kleine bloemlezing. Gent: Hoste. -32p.
Reeks: Bibliotheek van Nederlandsche letteren. – Gent; vol. 8
1908 Bloemlezing met levensbericht en inleiding.
Samengesteld door Arnold Sauwens
Brussel: Vlaamsche Boekhandel. -158p.
1923 Horatius’ Oden, metrisch vertaald door J.M. Dautzenberg met inleiding van Dr. M. Sabbe. Brussel: Wwe Monnom. -86p.

 

ARTIKELS EN KRITIEKEN IN TIJDSCHRIFTEN
(volledigheid niet gewaarborgd)

De Vlaemsche Rederyker

  • 1849: p. 230: Een taelpuntjen (over het du-dynen).

De Vlaemsche Stem.

  • 1849: Een woord betrekkelik Lulofs Handboek van den vroegsten bloei Nederlandsche Letterkunde
    Ibid., p. 300: Gedichtjes voor Kinderen, door Pr. Van Duyse.
  • 1850: p. 38-46: Bespreking van het letterkundig Jaerboekye voor 1850

De Eendragt

  • 5e deel, p. 82: ‘Oude Letterkunde’: Over de uitgave van deNederlandsche Gedichten, 1170-1600, door J.-A. Alberdingh-Thym bezorgd.
  • Ibid., 6e deel, p. 46: Brief aen den zeer geleerden en geschatten dichter en taelvorscher Alberdingk-Thym (29 Oct. 1852) betreffende diens tweede verzameling Oud-Nederduitsche gedichten.

Taelverbond

  • 1851: 8e deel: ‘Boekoverzicht’: Loverkens van Hoffmann Von Fallersleben.
  • 1854: p. 48-60: Danhuizer; gevolgd door twee metrische vertalingen

Zs. für Deutsche Mythologie und Sittenkunde (Göttingen).

  • 1853: p. 173: ‘Gebräuche aus Limburg und Brabant, vertaald uittreksel uitBelgische zede- en gewoonteschetsen(Volksleesboel Dautzenberg-Van Duyse).

Dietsche Warande

  • 1856: p. 1-16: Warandegedachten

De Toekomst.

  • 1857-1858: p. 1: Inleiding (met Pr. Van Duyse); p. 7: Hoe de jonge oojevaers leeren vliegen; p. 9: Verkeerde Straf; p. 22: Het Schryven; p. 24: Slenterwerk; p. 41: Wat in den volksonderrichte doorgaens vergeten wordt (met J. Blockhuys); p. 48: De goede oude Tyd; p. 65: Schooldwang of’ schoolpligt; p. 84: China en de Chinezen; p. 107: De akkerbouw hier en elders; p. 113: Gervinus over de paedagogische waerde der volksvertellingen; p. 129: Gezondsheidsmaetregelen in volksscholen; p. 167: Het lagere onderwys der meisjens; p. 215: Spreekoefeningen; p. 261: Aenteekeningen voor lessen over Aerdrykskunde; p. 289: Geographische merkwaerdigheden; p. 300: Theorie en praktyk; p. 324: De zindelikheid ten onzent en elders; p. 335: Opbeuring; p. 363: Toestand der onderwyzeren in andere landen.
  • 1859: p. 1: Eene historie voor leeraers en leerlingen (over Peatalozzi); p. 44, 111, 142 en 302: Overzigt der voornaemste steden in Europa; p. 55: Het teekenonderwys in stads- en dorpsscholen; p. 78: Kleine huizen hebben ook vensters; p. 88: Dorpschool by den Tataren der Krim; p. 97: Tydwinst en tydverlies voor de school; p. 151: Viesnoten over goed- en schoonschryven; p. 168: Verpligtend onderwys; p. 178: Waen en Waerheid; p. 202: Kinderjaren; p. 257: De geldkwestie voor het onderwys; p. 293: Zal ik mynen jongen schoolmeester laten worden?; p. 296: Berichten uit den vreemde; p. 298: Welk is het beste onderwys in volksscolen?; p. 300: Gehoorzammheid; p. 331 en 372: Eene rees aenteekeningen uit vroeger tyd, toen ik onderwyzer was.
  • 1860: p. 19: Aenteekeningen uit vroeger tijd (vervolg); p. 37: Kleine redevoering Van J.-M. Dautzenberg op de laetste onderwyzersvergadering; p. 58 en 178: Overzigt der voornaemste steden van Europa; p. 115: Lot der onderwyzeren; p. 125 en 279: Uitgelezene splinters en spaenders; p. 164: Stokkenpaerdjen; p. 193: Onderwys en Onderwyzers; p. 225: Een wonder onzer eeuw; p. 242: Iets over de Fransche tael; p. 258: Wie is de uitvinder der galvanisch-elektrische telegraphen; p. 268: Tabak; p. 289: Hoog- en Nederduitsch; p. 321: Strydige richtingen sedert drie vier eeuwen der Hoog- en Nederduitsche taelleeraren; p. 340: Macaulay over Volksopvoeding.
  • 1861: p. 1: Een Fransch woord ten voordeele van opvoeding en onderwys; p. 49: Belangryke aenkondiging; p. 161 en 271: Allerlei; p. 211: Splinters en Spaenders; p. 250: Een nieuw muzieknotenstelsel; p. 255: Hollandsche tael.
  • 1862: p. 1: Germanismus; p. 18: Phosphoriekskens; p. 28: Een gedichtjen (‘Het Portret’, door V. Loveling, met vertaling in het Duitsch: ‘Das Conterfei’, door J.-M. Dautzenberg); p. 30: Een accordeon-orgel; Boekbeoordeeling; p. 31: Schubert’s Natuerlijke Geschiedenis; p. 33: Kostscholen voor Meisjens; p. 51 en 65: Over des menschen bestemming en waerde; p. 61: Hoe men een wereldvermaerde dichter en tevens een vermaerde zot zyn kan (op Lamartine bedoeld); p. 64: Rooken; p. 94: Eenige ter beantwoording voorgestelde vragen; p. 149: Een woord overDe Toekomst’; p. 213: Fransche geleerdheid; p. 238: Vergadering van den onderwyzersbond op den 24 Sept. 1861; p. 250: Onderwyzersbond; p. 252: Schoolwezen; p. 265: Hoe men niet schryven moet; p. 290: Diploma en vryheid; p. 347: Nota by het gedichtDe Engel by de Wieg, door F.-A. Robyns; p. 352: Een welgemeend voorstel; p. 353: Eene inleidingsles in de geschiedenis
  • 1862-1863: p. 10: Bewaerscholen; p. 54: Natuerstaet en beschaving; p. 65: Het verzamelen van Natuervoorwerpen; p. 106: Snoeyen, vormen en vervormen; p. 209: Eendracht is macht; p. 284: Boekbeoordeeling: Nederlandsche metriek, Van J.-F. Heremans; p. 369: Het ergste vooroordeel, dat er bestaet.
  • 1863-1864: p. 32: Zelfstandigheid der school; p. 57: Vryheid van Onderwys; p. 18: Byvoeglike naamwoorden op ig en lik.
  • 1865: p. 240: Barbarismen; p. 341: Gazetten- en ander scheef vlaemsch; p. 30: Boekbeoordeeling:Beknopt chronologisch overzigt der algemeene geschiedenis ten gebruike van Burgerscholen, enz., door W.-A. Zeelt (Amsterdam).
  • 1866: p. 26: Scheef Vlaemsch en scheef Fransch; p. 85: Iets over het woordjen zich; p. 369: Een nieuwe kaart van Frankryk; p. 139: Boekbeoordeeling:Duitsche spraekleer Door Nederlanders, door K.-L, ter Nest
  • 1868: p. 1: Een onderwyzer gelyk weinigen (artikel aan J.-F.-A. Piré gewyd, onderwyzer te Brussel, stelsel Bell-Lancaster); p. 175: Botanische aanmerkingen op een bloemtuiltjen.
  • 1869: Boekbeoordeelingen: p. 74: Ottilie Wildermuth:Uit stad en land’; p. 75: Id.:Nieuw speelboek
  • 1873: p. 227: Proza uit Dautzenbergs papieren (door Fr. De Cort gepubliceerd: 1) Wel denken, wel spreken, wel handelen; 2) Gelyk by gelyk; 3) Natuur en Kunst.

Der Pangermane.

  • 1859: p. 2: Het Schillerfeest in Brussel; p. 5: Van Duyse’s Begräbnis; p. 35: Boekenoverzicht: Nolet’s ‘Ernst en Luim; A. BogaersGedichten; Pr. Van Duyse’sNazomer’.
  • 1860: p. 4: Boekbespreking: Fr. De Cort:Liederen, 2e reeks; p. 44: ‘Boekhandel(beschouwing over de oplaag van de in het laatste jaar verschenen boeken in Frankrik, Holland en Belgien).

Vlaemsche Kunst en Kunstenaers (wekelijksche bijdrage in Der Pangermane, Brussel, 1860).

  • 28: Cornelius-Joannes-Adrianus Seghers; p. 35: Eugeen de Block; p. 43: L. Kuhnen; p. 51: Alex Thomas; p. 59: Frans-Anton-Joseph Bossuet; p. 67: Eugenius Verboechhoven; p. 83: J.-B. Madou; p. 91: Louis Gallait; p. 99: Frans-Jos. Navez; p. 107: Cesare dell-acqua; p. 107: Joan-Frans Stallaert; p. 131: Adolf Dillens; p. 138: Wiertz; p. 148: Jan Swerts en Godfried Guffens; van dan af gaat de kroniek voort in het Duitsch over: p. 154: Nicasius de Keyser; p. 163: J.-Bernard Witkamp; p. 170: Joan-Michail Ruyten; p. 179: Edouard Dujardin; p. 194: Hendrik Leys; p. 202: Jos.-Hendr.-Frans Van Lerius; p. 210: Jos.-Laurens Dyckmans; p. 218: Frans Verheyden; p. 226: Gustaaf Wappers; p. 234: Jacob Jacobs; p. 242: J.-B. Huysmans; p. 251: Petrus Kremer. – P. 274: Die Kunstaustellung von 1860 in Brussel.

De Vlaemsche School.

  • 1860: p. 77: Een bezoek in de bergruinen van Paestum (kunstkritiek over het Wiertzmuseum).

Nederduitsch Tijdschrift.

  • 1862: I, p. 269: Boekbeoordeeling:Leven en Lieven(S.-J. Van den Bergh); p. 317: Boekbeoordeeling:Nederlandsche metriek(J.-F.-J. Heremans).
  • 1863: I, p. 326: Boekbeoordeeling:Die sieben Raben(L. von Plönnies).
  • 1864: II, p. 294: De groote Fransche tentoonstelling van kunstvoorwerpen in 1864.
  • 1865: III, p. 317: Boekbeoordeeling:Für Dich(Lieder von I. von Düringfeld); p. 321: Boekbeoordeeling:Aurora, Jaarboekje voor 1865(Haarlem, A.-C. Kruseman).

 Lijst van liederen van J.-M. Dautzenberg met muziek van:

  • Jan Blockx: Visschersliedeken
  • Jan Ferguut: Natuurontwaken (De Toekomst, 1868, p. 244).
  • Blom: Onze Stamboom (De Toekomst, 1846, p. 262).
  • Hol: Deuntje (Nederlandsche Zangstukken Willemsfonds, 8e reeks, 1e helft, nr 1, 1886
  • Hol: In de Schaduw (ibid., 8e reeks, 1e helft, nr 4, 1886), voor hooge en middelstem
  • Hol: In den Kersenboom (ibid., 8e reeks, 1e helft, nr 7, 1886), voor hooge en middelstem
  • Hullebroeck: Land en Stad (‘De Notenleer door het Lied’, p. 9, Gent, 1912)
  • Fernau: Viooltjen bij der hage (Toe., 1873, p. 382), duetto voor twee soprano’s