home | Inloggen
Aantal schrijvers: 577 | Aantal boeken:

16435

 

 

Blieck, Frans Jozef

Maakt deel uit van:

Frans Jozef BLIECK


Frans Jozef Blieck in 1951 (Letterenhuis)

Wervik, 24 december 1805 – Wervik, 28 april 1880

De beoefening van de literatuur stond bij hem niet voorop; Net als bij Ledeganck vond hij dat er ‘ernstigere’ bezigheden in zijn leven waren.

Verdediger van de literaire tradities.
Wedstrijddichter die zijn hele leven verbonden bleef met de plaatselijke letterkundige verenigingen: De rederijkerskamer De Droogaers te Wervik in het Zuiden van West-Vlaanderen en De Vriendschap te Roeselare, waarvan hij voorzitter was.

Bevriend met Ferdinand Snellaert, Karel Ledeganck, Blommaert, Prudens Van Duyse en vooral met Maria Doolaeghe.

Politiek en mentaal stond hij in de behoudsgezinde lijn van de door hem bewonderde Bilderdijk.

 Hij was een tijdlang orangist, daarna (lauw) strijdend Vlaming en lid van culturele verenigingen als bijv. “De Tael is gansch het Volk”.

 

BIOGRAFIE

24 december 1805: Frans Jozef Blieck wordt geboren te Wervik (West-Vlaanderen), als vierde kind in een zeer kroostrijk gezin met zeven broers en vier zussen.  Zijn vader was Charles Louis Blieck (ca 1771-1842) en zijn moeder Cathérine Rose Isaac (1774-1849)

EENS REDERIJKER, ALTIJD…

Vanaf zijn 14de reeds begint Blieck met toneelspelen in het rederijkersmilieu (oa bij de Wervikse rederijkerskamer De Droogaers)

25 juni 1830: Debuut bekroond te Roeselare door de Zeegbare Herten met “Het nut van den Katholyken Godsdienst op de samenleving”

Leert in de marge van de rederijkerswedstrijden Maria Doolaeghe kennen. Ook zijn andere vriendschappelijke contacten o a met Ledeganck, Van Duyse, Blommaert enz. vinden in dit milieu hun aanvang.

1834: Miste nipt te Brussel de eerste prijs – die ging naar Ledeganck – met “De triomf der nationale onafhankelijkheid. Het lot des vaderlands. Dichtstuk.

1835: Wint te Brugge bij Yver en Broedermin met de “Belgen beminnaers van kunsten en wetenschappen”

In hetzelfde jaar behaalt zijn werkstuk “Treurzang op het afsterven van den dichter J.B.J. Hofman” de tweede prijs bij de Kruisbroeders (Maria Doolaeghe behaalt de eerste prijs).

1835-1836: Binnen het zgn. literaire klaverblad, gevormd door Frans Blieck, Maria Doolaeghe ontstond een interessante sentimentele briefwisseling tussen Frans Blieck, Maria Doolaeghe en Prudens Van Duyse.

  • Zowel Frans Blieck als Van Duyse dongen naar de hand van de ‘dichteresse uit Diksmuide’. Blieck zou zelfs in 1835 kortstondig met haar zijn verloofd. Toch zal zij met geen van beiden huwen. maar wel op 26.4.1836 met Bruno Van Ackere, vroed- en heelmeester te Kortrijk, die haar een zorgeloos bestaan verzekerde.
  • Uit deze zeer vertrouwelijke reeks brieven spreekt een grote gevoeligheid, die ook inzicht geeft in de maatschappelijke problemen waarmee de betrokkenen worstelden.

Blieck reageert enigszins bitter op deze afwijzing: “Wij zijn beiden gefopt geweest door eene arglistige vrouw; Zy scheen ons te beminnen, wen wy waren slechts ’t voorwerp eener vuigen speculatie”, schrijft hij aan Van Duyse.

In tegenstelling tot Blieck zal Van Duyse Doolaeghe blijven helpen als literaire mentor en bemiddelaar bij verschillende van haar publicaties. Tevens fungeerde hij als corrector en promotor van haar teksten.

Ook met Blieck zal Van Duyse verder blijven corresponderen en zal er een merkwaardige vriendschap uit voortvloeien. De twee zullen als elkaars klankbord fungeren. Ze wisselen teksten uit en wijzen elkaar doorlopend op nieuwe ontwikkelingen en publicaties op letterkundig gebied.

1836: Zijn dichtstuk De knagingen van een boos geweten, wordt bekroond met ‘den gouden eerpenning door de Koninklyke Maetschappy van vaderlandsche tael en dichtkunde’ bij ‘Wat Ryp, wat Groen, komt Wysheid voên’. Én met de “Losse onbezonnenheid der jeugd”.

1838: Zijn laatste deelname aan rederijkerswedstrijden te Assenede  “Een tafereel uit de Belgische geschiedenis: De heilige Dymphna” bekwam de gouden erepenning.

Veel stellen deze werkstukken niet voor, maar iets van de ouderwetse en post-classicistisch geïnspireerde idee van de dichtkunst blijft hem dierbaar: namelijk het gebruik van de alexandrijn dat hij  zowel openbaar als bij vrienden zoals Johan Michiel Dautzenberg zal blijven verdedigen.

TOCH NAAR EEN SCHUCHTERE VORMEXPERIMENT ?

1850: In zijn huldevers “Aen het Alexandryn”  – verschenen in het Nederduitsch Letterkundig Jaerboekje voor 1850 – noemt hij deze dichtvorm de ‘vorst van ’t verzendom’. In de slotstrofe spreekt hij, ter afscheid, de versmaat aan:

O roem van Bilderdyk, Antonides en Vondel !
Sier voor de laetste mael een vlaemschen letterbondel,
Tot een gewenschter tyd,
Tot een geslacht ontsta, verwaerdigdu te vieren.
Verlieze u de eeuw, o zaed der prachtigsten  eerlauwrieren,
En barst’ zy dan van spyt!’

Veel meer dan een achterhoedegevecht is deze verdediging niet, misschien is het eerder een weemoedig en nostalgisch afscheid.

Vanaf de jaren 1840-1843 werden striemende kritieken geschreven (o a door Ferdinand Snellaert) aan het adres van de retoricale school waar Blieck deel van uitmaakte. Haar werd ‘anacronismus’ en oubolligheid verweten. Zij wezen op de noodzaak om de literatuur in Vlaams België te laten aansluiten bij de ontwikkelingen in Europa.

Ook bij Blieck merkt  men dat naast de hoogdravende gelegenheids- en prijskamppoëzie plaats komt voor  eenvoudigere en meer persoonlijke verzen. Men vindt ze in zijn Mengelpoëzy ( in drie delen: 1839, 1850 en 1863) en zijn late Lentetuiltje. Met biographische aanteekeningen. (1873)
Ook zijn psalmenvertaling (zie verder) kan in die zin worden gelezen.

17 januari 1842 – 4 augustus 1857: Notaris te Iseghem (nu: Izegem) na eerst jaren een opleiding als notarisklerk te hebben gekregen in Kortrijk, Brussel en Veurne.

22 oktober 1845: Huwt met Rosalie Colette Thilleur (1813-1847). Zij krijgen een dochter Adèle Cathérine Blieck (1846-1919)

1847-1850: Voorzitter en daarna tot aan zijn overlijden erevoorzitter van het Roeselaarse letterlievend en Vlaamsgezind genootschap ‘De Vriendschap’.

22 oktober 1849: Twee jaar na het overlijden van zijn eerste echtgenoot (18 maart 1847) huwt Blieck met Stéphanie Sylvie Dumont (♀ 1812)

1850: Op medisch advies moet hij wegens overspanning volledig ook intellectueel, rust nemen.

1854: Dat de conservatieve ‘rederijker’ Blieck toch niet blind was voor vernieuwing en vormexperiment zien we in zijn proeven van vertaling van acht psalmen in ‘vrije dichtmaet’ – zij het nog met berijmde, accentuerende verzen – warin het de parallelvorm van het Hebreeuwse gedachtenrijm navolgt. Hij ging hiermee in feite de jonge Gezelle vooraf.

  • Over het belang van deze psalmvertalingen in de Nederlandse letterkunde: Tijdschrift Gezelliana, Jaargang 4 (1992) A. De Vos Het gedachtenrijm in de psalmvertalingen van Fr. J. Blieck
  • De vertalingen verschenen in het Antwerpse tijdschrift Het Taelverbond (1854). Deze teksten werden later, samen met twee nieuwe psalmvertalingen (de nummers 23 (24) en 45 (46)) ook in het derde deel van Bliecks Mengelpoezy (1863) opgenomen Zowel de vertalingen in Het Taelverbond als in de bundel Mengelpoezy kregen een verantwoording en een ‘Voorzang’ waarin Blieck zijn vertaalpraktijk toelicht en verdedigt.

Augustus 1857 – 21 april 1858: Notaris te Beveren. Op 21 April 1858 neemt hij evenwel ontslag, om op rust te gaan te Iseghem.

Sedert 1862 woont hij in Wervik zijn geboorteplaats.

1863: Publicatie van het derde deel Mengelpoëzy.

1874: Zijn laatste volwaardige publicatie: Lentetuiltje. Met biographische aanteekeningen, tesamen in datzelfde jaar met een bijvoegsel aan het derde deel van zijn Mengelpoëzy.

31 mei 1878: Benoemd tot Ridder in de Leopoldsorde. In een korte plaquette “Sofokles voor het gerecht” legt hij deze benoeming vast

Lang leefde Sophocles, te lang om niet zijn kruis,
In ouderdom het zwaarst, te dragen binnen huis.
De goudzucht sloop erin, en won het hart der kinderen
De ontaarden deinzen niet voor ergernis en hinderen.
Zij staan naar vaders erf eer hij zijn loopbaan sluit
Zij geven lasterlijk hem voor krankzinnig uit.
En dagen hem voor ’t recht, opdat het recht beslisse.
Daar komt de dichter

 28 april 1880: Frans Jozef Blieck overlijdt te Wervik.

 

MEER OVER BLIECK

  • P. De Keyser, “De driehoeksverhouding E.A. Snellaert, F.J. Blieck en Prudens van Duysse (1836-40)”,  in: Spiegel der Letteren, IV, 1960, 2, 81-98.
  • J.P. Reniers, Frans Jozef Blieck ( Wervik 1805 – Wervik 1880), dichter, flamingant en voorstander van de Vlaamse Beweging. Tentoonstelling (…) Cataloog, Wervik 1980.
  • L. Valcke, Frans Jozef Blieck op vrijersvoeten en daarna”. in: Verslagen en Mededelingen van de Stedelijke Oudheidkundige Commissie van Wervik, XV, 1980, 1-13
  • Vandromme, “Honderd jaar na Frans Jozef Blieck (1805-1880)”, in:  Ten Mandere, XX, 1980, nr 58, 242-244.
  • A.M. Renier, “Frans Jozef Blieck en de politiek van zijn tijd”,  in: Verslagen en Mededelingen van de Stedelijke Oudheidkundige Commissie van Wervik, 1987, 89-116.

GERAADPLEEGDE BRONNEN

Websites

Referenties

  • Ada Deprez, Bouwstenen voor een geschiedenis van de 19de eeuwse Vlaamse poëzie-beoefening (van Willems tot De Mont), in: Ada Deprez: Walter Gobbers; Karel Wauters (red.): Hoofdstukken uit de Vlaamse letterkunde in de 19de eeuw. Deel 3. KANTL Gent 2003.
  • Janneke Weijermars, ‘Enkel om U te verplichten’. Wederkerigheid in de correspondentie van Prudens van Duysse. In: Zacht Lawijd, jg. 17 nr 4, december 2018, pp71-92, Antwerpen, Letterenhuis.
  • Willem van den Berg & Piet Couttenier, Alles is taal geworden, Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1800-1900, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam (2009), pp 322-324 & 372-373.
  • A. de Vos, “Het gedachtengoed in de psalmenvertalingen van Fr.J. Blieck”, in: Gezelliana, IV, 1992, 32-38.

SMAAKMAKER

Uit: De triomf der nationale onafhankelijkheid. (aanhef)

De vrijheid schoot haer laetse voncken
En dreigde een eeuwig ondergaen
Het Vaderland, in rouw gezonken,
Hief vruchteloze klachten aen.
De lage vleizucht, laffe logen,
Omringden een gedoemd vermogen,
En leenden klem aan d’yzren staf.
Waer blijft den landaerd te onderwinden?
Zijn klaegstem kan geen toegang vinden;
Men keert ze met versmading af.
 
Vervolgd in strengen boei geklonken,
Of, baling, zwervend uit het land;
Zie daer, wat loon hem wordt geschonken
Die ’t onregt moedig tegenkant.
Eilaes ! gemarteld, afgestreden
Als uitschot in het stof vertreden,
Der wormen spot zijn wij in de smart.
Vermeetlen ! hoe, hoe durft ge ’t wagen,
Zoo lang den fieren leeuw te plagen ?
Wee, wee hem, die zijne woede tart.

BIBLIOGRAFIE

De gegevens van deze bibliografie werden onder meer nagekeken bij

  • Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience – Antwerpen.
  • Koninklijke Bibliotheek van België – Brussel / Bibliothèque Royale de Belgique – Bruxelles

Chronologisch overzicht

Jaar   Titel  Fotogalerij  Uitgeverij 1ste druk
 1834  De triomf der nationale onafhankelijkheid. Het lot des vaderlands. Dichtstuk.

“met den tweeden gouden eerpenning te Brussel bekroont, in september 1834”
 Kortrijk: Drukkery van Blanchet-Blanchet.
 1836  De knagingen van een boos geweten. (dichtstuk)

Dichtstuk, met den gouden eerepenning bekroond door de Maetschappy van Vaderlandsche Tael en Dichtkunde, te Oostende, in haren letterstryd van 28 oogstmaend 1836.

Opgenomen in Mengelpoëzy deel I

Francis Jozef Blieck, Mengelpoezy. Deel 1 · dbnl

 

 1839  Mengelpoëzy – Eerste deel. (bundeling)

Inhoudsopgave (klik op foto)

 

Kortryk: Boekdrukkery van  Jaspin Frères et Soeurs. / Rotterdam: Messchert, Boekhandelaar.  -140p.
 1850  Mengelpoëzy – Tweede deel

 

 Roesselaere: Gedrukt by  Stock-Werbrouck., in de Noordstraat. -108p.

Afmetingen: 23.20 x 15.50

 1854  Proeve van vertaling in vrye dichtmaet van het psalmboek.

Verscheen eerder in: Het Taelverbond 1854, 59-75.

 Antwerpen: Drukkery der gebroeders Peeters. -18p.
 1856  Geschiedenis der Wervicksche rederykkamer, oudtyds genaemd Droogaers. (historische studie)  Rousselaere : Drukkery van De Brauwer-Stock. -39p.

Afmetingen: 24 x 15.50 (ingenaaid) -39p.

1863 Mengelpoëzy – derde deel.

Gevolgd van zyne vertalingsproeve, in berijmde parallelen, van het psalmboek.
Met een portretfoto van de auteur op het frontispice.
De psalmvertalingen staan op blz. 93-112.

Rousselaere: Gedrukt by de Wed. Stock en Zoon, in de Noordstraat. -121p.

Afmetingen: 23 x 15 (ingenaaid)

1874 Mengelpoëzy – bijvoegsel aan het derde deel.

Wervick : Gedrukt bij Vansuyt-Deltour, Nieuwstraat, 3.  -43p.

Afmetingen: 23 x 15.20 (ingenaaid)

1874 Lentetuiltje. Met biographische aanteekeningen.

Wervick : Gedrukt bij Vansuyt-Deltour, Nieuwstraat, 3. -43p.

Afmetingen: 23 x 15 (ingenaaid)
Druk: Snelpersdrukkery Vansuyt-Deltour, Wervick.

1875 Twee blauwe schenen: tafelspel tusschen twee vrienden, muziekanten. (verdichtsel)

Gedateerd: Wervik 1872.

Antwerpen: Drukkerij L. Dela Montagne, Wijngaardstraat, 10. -8p.

Afmetingen: 22 x 15.50 (ingenaaid)
Overdruk uit: ‘De Vlaamsche kunstbode’ tijdschrift voor Letteren, Kunsten en Wetenschappen, onder redactie van A.J. Cosyn.

1878 Sofokles voor het gerecht. (plaquette) Brugge: Boek en steendr  Mts. Van Langermeersch, Verwersdyk, 11. -1p.

Afmetingen: 43 x 33