home | Inloggen
Aantal schrijvers: 536 | Aantal boeken:

15559

West-Vlaamse school

Guido Gezelle en de West Vlaamse school.

Als er één Vlaamse schrijver is die in de 19de eeuw internationale weerklank heeft gevonden, dan is het wel Gezelle.
Geen wonder ook dat er zich rond zijn persoon een groep gelijkgezinde literaire mensen verzameld hebben die een gelijklopend credo uitdroegen. Laten we daarom even stilstaan bij de figuur van Gezelle zelf:
Zijn taalbekommernis: Taal was volgens hem een godsgeschenk. De Vlaamse taal waarborgde het katholiek geloof (= verdediging tegen het Hollands). Bij Gezelle primeert de Vlaamse zelfwording via de studie van de Vlaamse taal en de daarin vormgegeven rooms-katholieke godsdienst.
• Zijn vlaamsgezindheid: Gezelle was geen flamingant. In een rede (30 september 1885) veroordeelde hij zelfs de Blauwvoeterie. Het was Hugo Verriest die hem toen verdedigde: “Nooit is hij een leider geweest in de beweging, hij is Vlaams op zichzelf, in alles wat hij doet. Dat is Gezelle, laat hem gerust”.
En zo had Gezelle dus veel invloed, zij het vooral via anderen die zijn ideeën moduleerden voor hun eigen strijd. De voornaamste daarin was zijn leerling Hugo Verriest die het beeld van Gezelle als levenwekker van de Vlaamse gedachte doorgaf aan de Vlaamse studenten. Met zware romantische inslag, als een geniaal natuurtalent, verbonden met zijn volk, met een door God geschonken scheppingskracht.

De eerste generatie

Dit is de generatie van Gezelle zelf. Ze bestond vooral uit een vriendenkring van priesters.
• Adolf Verriest (Deerlijk 1830-Kortrijk 1891), levenslange vriend van Gezelle, zat een klas lager dan Gezelle in het Kleinseminarie te Roeselare. Advokaat, lid van Kortrijkse gemeenteraad en schepen.
• Victor L. Huys (Geluwe 1829 – Zillebeke 1905), op dezelfde dag als Gezelle tot priester gewijd. Auteur van oa ‘Baekeland, of de Rooversbende van ’t Vrybusch’. Zie verder in schrijversgewijs.
• Leonardus L. de Bo (1826-1885), collega-priester en leraar. Evenals Gezelle verzamelde hij West-Vlaams taalkundig materiaal. Zijn hoofdwerk zou het ‘Westvlaamsch Idioticon’ worden.

Tweede generatie

Bestaat voornamelijk uit ex-leerlingen. Twee springen er uit de band nl. Eugeen van Oye en vooral – zijn begaafste leerling – Hugo Verriest.
Vele onder hen hebben zich ingezet voor Gezelle’s journalistiek werk in de bladen “’t Jaer 30“ en “Rond den Heerd”, waaraan ze – naats hand- en spandiensten- ook literaire bijdragen leverden. We noemen oa Karel Callebert (1837-1900); Adolf Duclos (1841-1925); Hendrik van Doorne (184-1914); Karel de Gheldere (1839-1913); Gustaaf-Hendrik Flamen (1837-1920); Alfons van Hee (1846-1903);

Derde generatie

Alweer is het Kleinseminarie te Roeselare de voedingsbodem. Het is een generatie studenten die Gezelles boodschap aangereikt krijgen via hun leraren: G-H Flamen, Hugo Verriest en Emiel Demonie. Vlaamsgezindheid en rooms-katholicisme vormden een onafscheidelijke eenheid.
De geniale initiator Guido Gezelle, wiens boodschap gemoduleerd werd voorgedragen door zijn leerling Hugo Verriest, die op zijn beurt de hoogbegaafde Albrecht Rodenbach vormde: dit is het traditionele schema van de Westvlaamse school. Daarnaast zijn er wel meer lijnen te trekken oa L.L. de Bo – Adolf Duclos met betrekking tot het West-Vlaams particularisme.
Belangrijk is dat uit deze generatie de West-Vlaamse studentenbeweging voortkwam. In juli 1875 breekt in het seminarie de zgn. Groote Stooringe uit. De poësisklas – met Rodenbach als leider en dichter – weigerde de Franse liederen te zingen. De Blauwvoeterie was ontstaan. Rodenbach dichtte “Het lied der Vlaamsche Zonen” met de refreinregel “Vliegt de Blauwvoet – storm op zee !”
Eens op de Leuvense universiteit, zouden ze daar de studentenbeweging infiltreren met hun Vlaams idealisme. Hun ideologie droegen ze uit in bladen als “De Vlaamsche Vlagge” en “Het Pennoen” (1877-1880)
Onder hun vernoemen we : Renaat Adriaens, Aloïs Bruwier, Alfons Dupla, Jules Devos, Emiel Lauwers, Constant Lievens, Hendrik Persyn, Albrecht Rodenbach en Kamiel Watteeuw.

Latere periode

Natuurlijk bleef het gedachtengoed van de West-Vlaamse school stricto sensu, bij latere schrijvers doorwerken. Dat is zeer duidelijk bij Cyriel Verschaeve, die de figuur van Rodenbach idealiseerde voor eigen doeleinden. Ook René de Clercq, Caesar Gezelle, zelfs Edward Vermeulen ontsnapten niet aan dit gedachtengoed.
Toch evolueerde de relatie Guido Gezelle en diens boodschap dermate dat men nauwelijks nog kan spreken Gezelles “kristen vlaemsche dichterschool’ en moeten we de West-Vlaamse school beperken tot de drie genoemde generaties. En zo deemstert de beweging omstreeks de eeuwwende grotendeels weg in de steeds groter wordende schaduw van ‘Van Nu en Straks”.

Schrijvers