Maakt deel uit van: Collaboratie WO II, vertellers over de zee
Ferdinand Vercnocke
1906-1989
Ferdinand Verknocke : de dichter en de Zwinstreek
Advokaat, polemist, dichter, proza- en toneelschrijver. Tevens graficus en schilder
BIOGRAFIE
14 december 1906: Geboren te Oostende uit een geslacht van vissers, loodsen en kapiteins.
- Als kind was zijn speelterrein het strand. Ook het harde leven op zee leerde hij vlug kennen door de vele verhalen van zijn vader en grootvader. Bij stormweer moesten de kinderen met hun moeder bidden voor de behouden terugkeer van de mannelijke familieleden.
1914: Bij het uitbreken van W.O.I vlucht het gezin Vercnocke naar Engeland.
- Zijn vader had er werk gevonden als bediende in een fabriek te Aylesbury. Deze baan was echter zo verschillend van zijn vroeger werk als zeeloods dat hij terugkeerde naar België en zich aanbood als vrijwilliger in het Belgisch leger.
- Ondertussen ging Ferdinand er naar de Grammar School.
- De opvoeding stond er vooral in het teken : ‘Rule Britannia, Britannia rules the waves’. De liefde voor zee en avontuur – onmisbare scholing voor een jeugd wier moederland een wereldrijk was – doortrok en bezielde de hele schooltijd van de laagste klassen af. ‘Hearts of oak are our ships…’- ik zong dapper mee…
- Een keurig uitgegeven jeugdbibliotheek stond er de jongens en meisjes ter beschikking : verhalen van zeetochten, schipbreuken en landname, sprookjes en sagen die de verbeelding voedden van de jonge mens. Al vroeg werden de leerlingen ingewijd in de Keltische Arthurcyclus, de sagen van de Westgemaanse volkeren die Engeland in bezit hadden genomen …” .
1919: Het gezin Vercnocke is terug in Oostende.
- Ferdinand Vercnocke vervolgde zijn studies aan het O.-L.-Vrouwecollege. De ouderwetse pedagogische opvattingen contrasteerden fel met de vrije mentaliteit die hij in Aylesbury gekend had.
“Hier was alles anders : het leek wel of de klok er werd achteruit-gezet. Bleef aan de overkant van het Kanaal het leerplan berekend op de wereld van de jongelui, (ik had er bv. leren knutselen !) hier leek mij de gehele dag gevat in een streng rigorisme” .
Reeds vanaf zijn collegejaren nam hij actief deel aan het studentenleven. Hij was voorzitter van de Sint-Pietersgilde die de stuwende kracht was achter de studentenbeweging te Oostende.
1925: Na het beëindigen van zijn humaniorastudies liet Ferdinand Vercnocke zich inschrijven voor de eerste kandidatuur Germaanse filologie aan de K.U.Leuven. Zijn ouders waren het helemaal niet eens met deze keuze, zodat hij tenslotte overstapte naar de faculteit rechten.
Het spreekt vanzelf dat hij ook in Leuven actief deelnam aan het studentenleven.
1927-1929: Voorzitter Algemeen Katholiek Studentenverbond.
1929-1930: Praeses van het Katholiek Vlaamse Hoogstudentenverbond en wat later ook van Amicitia.
- Deze kring, die nog in 1911 te Leuven gesticht werd door Firmin Deprez, had als doel het studentenleven een hoger cultureel niveau en een zekere voornaamheid te geven.
1929: Vercnocke beoefende toen al de schilderkunst en in 1929 neemt hij deel aan een studenten-tentoonstelling in de Dirk Bouts-zaal, gelegen boven de Standaard-boekhandel in de Naamsestraat.
Na het beëindigen van zijn studies vervulde hij zijn dienstplicht en legde hij de eed af als advokaat.
1933: Vanaf 1933 werkte hij aan de balie te Brugge.
- Ondanks het feit dat zijn interessante baan hem bijna volledig in beslag nam, kon hij de poëzie niet zomaar vergeten. Reeds als student had hij heel wat gedichten geschreven maar die had hij verbrand, waarbij hij het voornemen had genomen zich alleen nog maar aan zijn werk als advokaat te wijden.
1934: Publiceerde zijn eerste bundel : “Zeeland” die als een veelbelovend debuut onthaald werd.
1935: Sloot zich aan bij “de kunstenaars, die zich schaarden rond het tijdschrift ‘Volk’, dat verscheen van 1935 tot 1940.
- “De redactie van ‘Volk’ bestond aanvankelijk uit Filip de Pillecijn, E. van der Hallen (redactie-secretaris), Anton van de Velde en Dirk Vansina; ze werd aangevuld met Victor Leemans, Karel Vertommen en Ferdinand Vercnocke.
- Het tijdschrift had de ‘geestelijke reconstructie van het jonge Dietschland in katholieken zin’ tot doel, wilde het contact tussen kunstenaar en gemeenschap herstellen, de nadruk leggen op de eenheid van kunst en leven en de strijd aanbinden tegen estheticisme, individualisme en dilettantisme…
- Bij het begin van de vijfde jaargang, in november 1940, werd een akkoord met het tijdschrift ‘Dietbrand’ bekend gemaakt. ‘Volk‘ zou zich nog uitsluitend bezighouden met het artistieke leven, terwijl ‘Dietbrand‘ zich met de ‘nationaal-politieke en geestelijke opvoeding van het volk’ zou inlaten.
- Wies Moens en Felix Timmermans vervingen Victor Leemans en Ferdinand Vercnocke in de redactie. Na januari 1941 kreeg het tijdschrift van de bezettende overheid geen toestemming meer om te verschijnen, omdat het te Diets georiënteerd was. “
1940-1945: Periode Wereldoorlog II.
1940: Vindt aansluiting bij het VNV van Staf de Clercq.
Maart 1941: Medewerker bij Zender Brussel, een radio-instituut dat tijdens de oorlog fungeerde als een propagandakanaal voor het nationaalsocialistische gedachtengoed. Hij had er de leiding op de onderafdeling ‘Politiek en Gemeenschap’.
Intussen had hij zich al een tijdje geëngageerd als vrij medewerker aan het blad ‘Volk en Staat.’
Op de cultuurbladzijden van Volk en Staat publiceert Vercnocke een aantal programmatische essays, waarin hij tegelijk de principes van een volksverbonden kunst, in overeenstemming met de Duitse voorschriften, op radicale wijze verkondigt én die richtlijnen praktisch toepast bij de kritische beoordeling van het eigen literaire verleden en de actuele literaire produktie.
“Dit moest gebeuren. Het volksch inzicht is immers uit het wezen zelf van onze Dietsche letterkunde gegroeid. En er is geen groei zonder organische verbondenheid.[...] Wie uit een bepaald volk, een bepaald bloed geboren is, moet, wil hij geheel zichzelf worden, wil hij geheel worden wat hij in vermogen is, zijn leven richten naar de ongeschreven grondwet van dat volk. [...] Hij zal peilen in de diepten van ‘t verleden, hij zal naar oorsprong en vorm van zijn wezen vorschen, de ontwikkeling van de aangeboren mogelijkheden volgen, het eigene van het oneigene schiften, het eigene verzorgen en bevorderen, het verwordene wegsnijden. [...] Studie van het ras ligt aan den wortel van alle gezonde leven. [...] Aanhoort het bloed: het spreekt waarheid, taal uit oerreine verten; het leert de eerste roerselen van ons bestaan, het wijst den weg naar de toekomst. [...] En dat bloed roept ‘Vlaamsch’, volksch, d.w.z. deze tot één-geheel gegroeide loot van den grooten Germaanschen stam, gevestigd in de Lage Landen bij de zee. (21.9.1940)”
In een notedop worden hier een groot aantal aspecten van het vanuit Duitsland overgewaaide maatschappij- en cultuur-ideaal gesynthetiseerd.
Boegbeeld culturele collaboratie
1941: Publicatie van de dichtbundels ‘Heervaart’ en ‘Koning Skjold’.
- Evenals Wies Moens bediende hij zich van een radicaal romantisch discours dat in belangrijke mate schatplichtig was aan de ‘Blut und Boden’ ideologie en vooral aandacht had voor de organisch gegroeide volksgemeenschap en de mythe van het zuivere volk.
- In het voorwoord van ‘Heervaart’ stelt Vercnocke de dichter aan als leider van zijn volk, een volk dat geen voeling meer heeft met zijn wezen.
- Vercnockes volk heet een ‘Dietsch wezen’; zijn volk bewoont de ‘Nederlanden bij de zee’.
- De term ‘Dietsch’ werd tijdens de Eerste wereldoorlog gebruikt door de voorstanders van een politieke en culturele eenwording van de Nederlandstalige gemeenschap, zowel door democratische als extreem-rechtse organisaties. Het gebruik ervan werd verboden door de Duitse bezetter.
“Aan de rustelooze bewegingen van het Noorden zijn wij ontsproten. Saksen voeren Westwaarts langs de duinen, en namen land aan de grenzen van het groote Friesche rijk; Franken verlieten hun voorouderlijke wouden over den Rijn, voor de rijke Scheldevlakten bij de zee. En van deze drie stammen uit het Noorden, zeevolk, volk van vrije boeren, vereend door eeuwen gemeenzame geschiedenis, erfden wij ons Noordsche bloed, onze Nederlandsche taal, ons Dietsche wezen. Wij zijn een volk. Een volk onder de volkeren.” (Heervaart Inleiding p. 11)
Tevens verschijnen in DeVlag zijn gedichten ‘Aan Hitler’ en ‘Groot-Germanje’
Aan Adolf Hitler
Kunstenaar-staatsman, ziener, man der daad, veldheer en held, mensch méér dan mensch, stichter van een Rijk, dat op het puin groeit van een wereld, en tot wereld wordt, denk om mijn volk, dat uw hartstochtelijken wil doorstond in vuur en bloed, ‘t manhaftig bloed van ‘t Noorden, dat een ander volk, ùw volk doorstroomt, en beider aangezicht, nabij verwant, bootst tot een gelijkenis, verscheiden, maar één stam ontsproten. Zie in dit gelaat een blik donker van nood en rouw, de eeuwen door, volk, schoon in zijn smart, want ‘t stond te weer, en wierp den Waal, den landvraat van zijn grens, bruggenhoofd en bolwerk van den Rijn, alleen. Ons hebt gij niet verwonnen, doch bevrijd want wij, gekluisterd in den kerker van een staat, vijand van onzen stam, wij stonden op de bres, Germanen, broeders in den bloed, ten dood gedoemd. Nu waakt, ten voorpost, dien wij trouw behoedden, wij voor ‘t Rijk, spannend zijn dubblen wiek ten sprong, zinbeeld van adel en gestrenge macht die op den bergtop woont, en vergezichten peilt, de adelaar o Held op land en zee, held in de lucht, die armoede, rijkdom, roof en geil verderf, die heerschappij van ‘t schuim, die landvraatzucht brandt uit de wereld, wreker en roede Gods, erken ons heldenmoedig volk, erken zijn oorsprong, sla van ons lijf de laatste ketens stuk, maak deze landen rein als op den eersten dag, bouwmeester van het Rijk, grond hier een volk, één naar het bloed, bestemming en geschiedenis, in broederschap en liefde tot den landaard één: volk naar uw voorbeeld. Gij die met des arends oog de dalen meet, neem ons vertrouwen, neem ons hart: ziener, vormt gij dit laagland tot een gaaf geheel op gave vesten, duurzaam, tegen tijd bestand, verraad en plundering, toonbeeld van uw staatsmanskunst, volk met eigen plaats in ‘t roemvol Rijk, hoeksteen der wereld, geliefde kind, dat ook de moeder mint, doch staande op eigen voet, mondig, begaafd en groeit moeder ter eere. Nog ligt dit laagland bij de zee, en hoort haar meer dan menschelijk geluid, weergalm van uw stem, die spreekt van eeuwigheid, drang en levenswet van ‘t Noorden, ‘t ééne vaderland. Levend is dit volk, mijn volk, en ‘t roept in dezen tijd om grooter leven, arbeid, brood, en heiliger dan brood: om kunst, beeld, klank en kleur, en boventijdlijk bouwwerk, heldenroem der ziel, die nooit vergaat. Man van ‘t zwaard, man van de kunst, volkomen held, als Alvader eens, des Noordens meest geduchte god, maak mijn volk tot volk: als ‘t weefsel in uw huis van marmer, werk mijner vaadren, siert dit volk uw Rijk.Ferdinand Vercnocke
1942: Publicatie van zijn dichtbundel “Ask en Embla”.
- Trekt zich terug uit ‘Volk en Staat’ omwille van een voor hem onaanvaardbare recensie over zijn werk «Ask en Embla». Later werkt hij terug mee aan het dagblad, op voorwaarde dat hij volledige vrijheid krijgt.
1943: Toen de algemene leiding van Zender Brussel werd overgedragen aan een SS’er, raakte Vercnocke meer en meer verwikkeld in discussies en pesterijen. Zijn pro-Vlaamse houding bleek niet altijd te stroken met de nieuwe pro-Duitse lijn. Tenslotte diende hij zijn ontslag in.
15 september 1944: Na de bevrijding werd Vercnocke aangehouden.
9 januari 1945: In de context van het proces rond ‘Volk en Staat’ luidde de beschuldiging dat hij zijn poëzie in dienst had gesteld van de bezetter en zich had bezondigd aan het schrijven van pro-Duitse artikels in ‘Volk en Staat’.
1949: Ferdinand Vercnocke leert Simone Wolfs kennen, die al lang een grote bewondering koesterde voor zijn werk. Ook zij had een dichtbundel op haar naam staan, nl. “De dagtocht”.
29 september 1951: Trad met haar in het huwelijk. Ze vestigden zich in hun huis te Weerde. In die periode werkte hij nog een korte tijd mee aan “De Nieuwe Linie” en “De Standaard”.
Daarna had hij een vaste baan als supervisor in een Brussels filmlaboratorium.
- De laatste jaren heeft de dichter zich vooral aan zijn gezin gewijd, zijn schilderkunst maar ook zijn poëzie. Men heeft hem nooit het zwijgen kunnen opleggen. Hij heeft zijn Vlaamse idealen bewaard maar heeft ze ook gerelativeerd.
- Ondertussen heeft hij heel wat godsdienstige en filosofische werken bestudeerd. Vlaanderen is nog steeds zijn land dat vecht voor een eigenheid, maar er is meer op de wereld dan dit kleine stukje grond. Vandaar dat zijn recent poëtisch werk gekenmerkt wordt door een sterk oecumenisch gevoel. De mens gaat nu niet meer alleen op zoek naar zijn plaats in de wereld, maar vraagt zich ook af waar zich te situeren in de kosmos.
De hele mythologie die in het nationaal-socialisme zijn volle ontplooiing heeft gekregen, de terugkeer naar de oud-germaanse zeden vindt men bij Vercnocke, Rodenbach en Verschaeve terug.
21 maart 1987: Gehuldigd ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag in de Abdij van Grimbergen. Bij deze gelegenheid wordt de bundel De aardse staat gepubliceerd.
12 mei 1989: Te Duffel op 82-jarige leeftijd overleden en op 18 mei in zijn geboortestad Oostende begraven.
Meer over Ferdinand Vercnocke
- Beyen, M. ‘Vercnocke, Ferdinand’. In: De Schryver, R. (red.), Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging. Tielt, Lannoo 1998, p.3215-3216.
- Brems, E., ‘De verkondiger van het bloed. De literaire opvattingen vann Ferdinand Vercnocke in Volk en Staat (juni 1940-juni 1941)’. In: Driemaandelijks Tijdschrift van de Auschwitz-Stichting, nr 50 (januari-maart 1996), p. 5-22.
- Moens, W., Nederlandsche letterkunde van volksch standpunt gezien. Rotterdam/Antwerpen, De Dietsche Boekhandel (Volksuniversiteit Herman avn den Reeck VII, 31).
- Simek, R. Dictionary of Northen Mythology, Cambridge, D.S. Brewer 1996.
- Thibaut, R.-J., Dictionnaire de Mythologie et de Symbolique Nordique et Germanique. Paris, Editions Dervy 1997.
Geraadpleegde bronnen
De gegevens voor deze bijdrage zijn voor het overgrote deel ontleend aan L. De Keyser “Ferdinand Verknocke: de dichter en de zwinstreek. Aangevuld door analyses van Eveline Vanfraussen.
Websites
Referenties
- Vanfraussen, Eveline, ‘Ferdinand Vercnockes dragers van het volkse beginsel’. In: Verbrande schrijvers. Culturele collaboratie in Vlaanderen 1933-1945. L. De Vos; Y. T’Sjoen en L. Stynen (red.). Gent, Academia Press 2009 p. 93-114.
BIBLIOGRAFIE
Woordje vooraf
- Na de bibliografie vindt u een korte bespreking van het werk van F. Vercnocke. De tekst is gebaseerd op L. DeKeyser “Ferdinand Verknocke: de dichter van de Zwinstreek”
- Een verrassend addendum sluit de tekst af
De bibliografische gegevens werden onder meer nagekeken bij
- Koninklijke Bibliotheek van België – Brussel / Bibliothèque Royale de Belgique – Bruxelles.
- Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience – Antwerpen
- Poëziecentrum – Gent
Om de foto’s in de fotogalerij te vergroten klik op de foto
Chronologisch overzicht
Nawoord
Hoe zag Vercnocke zijn taak als dichter ?
Bij iemand als Ferdinand Vercnocke staan we mijlenver verwijderd van de leuze van de tachtigers : poëzie is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Volgens Vercnocke is een kunst beoefenen die alleen voor een elite toegankelijk is, verkeerd. Hij wil enkel en alleen schrijven voor het volk.
Enkele citaten
- “‘Volk’ omsluit hier alle volksgenooten, alle standen” (F. Vercnocke, Volksche letteren, Volk,Maandschrift voor Dietse kunst en kultuur, IV, 1938, p. 39.)).
- Een eerste taak van de dichter is dan zijn volk bewust te maken. “In de verre jeugd der Dietsche landen, zijn de dichters dus in de eerste plaats de nationale barden, de zangers, die den levenden de daden van het voorgeslacht openbaren, opdat de grootheid van het verleden de toekomst zou openbaren. Aldus is de Dietsche dichter oorspronkelijk de hoeder van het nationaal bezit…” (F. Vercnocke, Volksche letteren, Volk,Maandschrift voor Dietse kunst en kultuur, IV, 1938, p. 39.)).
- Vandaar dat Vercnocke zich zo dikwijls geïnspireerd heeft op de Germaanse mythologie. En zoals in de Germaanse tijd, moet ook nu de Vlaamse dichter zijn verantwoordelijkheid opnemen. “En wanneer hij spreekt, zal zijn kunst in de volheid van haar volkomenheid, het gehele volk verwonderen, en in zijn woord zal de gemeenschap haar spiegelbeeld herkennen. En mocht, tenslotte dat volk in zijn gemeenschappelijk erfbezit, zijn vrijheid, worden getroffen, dan zal hij, de dichter, het allereerst opstaan en het heimwee van het volk uitzingen, en vergezichten van grootheid en roem verkondigen. Wij gelooven in het leiderschap van den dichter. Wij zeggen het met geheel ons hart dan hartstochtelijken Shelley na: ‘Poets are trumpets that sing to battle; poets are the unacknowledged legislators of the world’ (F. Vercnocke, Volksche letteren, Volk,Maandschrift voor Dietse kunst en kultuur, IV, 1938, p. 39.).
Een situering van Vercnockes werk in de Nederlandse letterkunde in het Zuiden en de receptie van zijn werk.
Dichter van politieke en volksgebonden poëzie
- Vercnocke moet gesitueerd worden na “de generatie van de expressionisten Wies Moens, Marnix Gijsen, Paul van Ostaijen, Gaston Burssens e.a. die tijdens en onmiddellijk na de verscheurdheid van de wereldoorlog de humanitaire broederschap verkondigden, alsmede na de post-expressionisten (Jan Vercammen, Pieter G. Buckinx, André Demedts, René Verbeek, Paul Devree e.a.) die aanvankelijk in de “Tijdstroom”, nadien in “Vormen” tegen hun tien jaar oudere confraters reageerden” (J. Haest, Ferdinand Vercnocke, Antwerpen, 1980, p. 12.).
- Toen Vercnocke op het literaire toneel verscheen, wou hij ijveren voor een hernieuwde aandacht voor land en volk. In de literatuurgeschiedenis wordt hij ondergebracht bij de dichters van politieke en volksgebonden poëzie. Hij wordt dan ook beschouwd als één van de meest romantische dichters van deze groep.
In de lijn van de West-Vlaamse school
- Dr. H.W.E. Moller situeert hem bij de jongste generatie katholieke dichters die de lijn van de Westvlaamse school verder zetten (H.W.E. Moller, Geschiedenis van de Nederlandse Letterkunde, Heemstede, 1939, p. 409.).
- Ook André Demedts benadrukt de invloeden van de Westvlaamse partikularisten op Vercnocke. “Willems, Conscience, Ledeganck, Gezelle, Verriest, Rodenbach en De Clercq vormen een ononderbroken ketting, die met Moens en Vercnocke verder gaat en verlengd zal worden zoo lang als de zorgelijke politieke toestanden voor ons volk zouden blijven voortbestaan (A. Demedts, De Vlaamsche poëzie tusschen 1918 en 1941, Diest, 1941, p. 116.)”.
- In dit kader vermeldt men ook zijn medewerking aan het tijdschrift “Volk”. Lieven Rens noemt “Ferdinand Vercnocke met zijn Germaanse verbeeldingen de markantste figuur van deze groep” (L. Rens, Acht eeuwen Nederlandse letteren – van Van Veldeke tot vandaag, Antwerpen, 1971, p. 128.).
Commentaren op Vercnocke’s poëzie
- Alhoewel Vercnocke zich soms wel eens bezondigd heeft aan lichte pathetiek, heeft men altijd de kracht van zijn verzen en de bondige verwoordingen bewonderd. “Het werk van Vercnocke munt niet uit door fijne zegging of een keurig versierde vorm. Zoals hij het wenscht, lijkt het krachtig en beslist als de heldenfiguren uit de geschiedenis over wie het meermalen handelt, ruig en eentonig als het land en de zee van Vlaanderen die hij in rauwe rhythmen bezingt.” (A. Demedts, o.c.)
- Ondanks deze themata geven zijn verzen toch een doorleefde indruk : “… dat hij anderzijds een vers weet te schrijven dat zich voortbeweegt op een rijken gevoelsstroom, getuigt voor zijn groeiende en geschakeerde persoonlijkheid.” (O. Van der Hallen, Vijftig jaar katholieke in Vlaanderen (1885-1937), 1938, p. 99.)
- Wat men hem wel vaak verwijt is het feit dat zijn Vlaams-nationalistische boodschap het poëtische vaak overheerst en verdringt. “Het gevaarlijke bij dezen dichter is, dat zijn overtuiging hem vaak tot schrijven noopt, wanneer hij er niet innerlijk toe aangedreven wordt. Dan ligt er te weinig bezieling en waarachtigheid in zijn vers. Het slaat tot een theoretisch brallen over, dat met de Geuzenliederen wel de luide stem gemeen heeft, maar al te weinig van hun onvergetelijke levensechtheid bezit. (A. Demedts, o.c.)
- Ook L. Sourie oppert hetzelfde bezwaar : “en al kan het jammer heten dat hij in zijn laatste bundels commentaren opdist die niets met kunst te maken hebben, in zijn beste gedichten bewees hij een oorspronkelijk en krachtig karakter”. (L. Sourie, Vlaams letterkundig lexicon, Komen, 1951.)
Proeve van conclusie
- Een hoofdfiguur uit de Nederlandse letterkunde is Vercnocke niet geweest. Toch mogen we zijn belang voor onze letteren zeker niet onderschatten. In de jaren voor en tijdens W.O.II was hij een veel gelezen dichter.
- Hij heeft, wel wat extreem, weergegeven wat onder de Vlaamse bevolking leefde. Hij is hoe dan ook een schakel geweest in de evolutie van de Vlaamse beweging, van Conscience tot nu. We moeten er ook rekening mee houden dat Vercnocke door het anti-flamingantisme van na de tweede wereldoorlog een beetje in de vergeetput werd geduwd. Vandaar dat de meeste auteurs van de literatuurgeschiedenis alleen oog hebben voor zijn Vlaams-nationalistisch werk. Over de werken waar andere themata behandeld worden, wordt meestal niets gezegd en dit beeld klopt toch niet helemaal met de realiteit…
Addendum
Ferdinand Vercnocke werd tevens door Laïs (her)ontdekt: zij zingen van hem “Bruidsnacht”, een tekst qua thematiek sterk doet denken aan “De Vondeling van Ameland” van Freek de Jonge (op muziek gezet door Boudewijn de Groot). Oordeel zelf:
Zij is naar ‘t duin gegaan Haar bruidskleed had zij aan Baren gaan heen en weer Sterren staan klaar Eenzaam in doods gebied Ontwaakt hij en hoort haar lied Baren gaan heen en weer Donker is ‘t tij Hij kwam uit zee naar ‘t strand Hij nam haar bij de hand Baren gaan heen en weer Sterren staan klaar Donker duin Donker duin Sterren staan helder klaar Zij rusten eeuwig Bij elkaar Toen in dat geurend kruid Werd zij ‘n gekroonde bruid Baren gaan heen en weer Donker is ‘t tij Hij nam haar met zich mee Terug naar de brandende zee Baren gaan heen en weer Sterren staan klaar Donker duin Donker duin Sterren staan helder klaar Zij rusten eeuwig Bij elkaar Donker duin Donker duin Sterren staan helder klaar Zij rusten eeuwig Bij elkaar
