home | Inloggen
Aantal schrijvers: 537 | Aantal boeken:

15559

Wazenaar

Maakt deel uit van: ,

Wazenaar

Wazenaar 0

Eksaarde (Waasland), 9 september 1840 – Gent, 4 november 1906

Pseudoniem van Armand de Vos, legerarts, dichter, romancier, romanschrijver en polemist.

Vernieuwend schrijver in de realistische traditie doordat hij als eerste in zijn werk  rekenschap geeft van zijn eigen intellectuele en artistieke evolutie.

Zijn voornaamste werk is zijn debuut ‘Een Vlaamsche jongen (1979) Andere werken zijn  ‘In de natuur’ (1884) en zijn latere multatuliaanse pamfletten waarvan ‘Een officier geworgd in het Belgisch leger’ (1892) het belangrijkste is. 

 

BIOGRAFIE

9 September 1840: Geboren te  te Exaarde als Armand De Vos, in het Land van Waas, waarom hij Wazenaar als pseudoniem verkoos.

Aanvankelijk studeerde hij aan het College te Sint-Niklaas.

Zijn hogere studies verliepen niet zonder problemen. Wegens geldgebrek had hij zich, in tegenstelling tot zijn gefortuneerde medeleerlingen, niet kunnen vrijkopen van legerdienst. Hij kwam als loteling bij het leger en werd korporaal bij het 11e linieregiment.

Na zijn diensttijd studeerde hij de godgeleerdheid en de natuur- en geneeskundige wetenschappen aan de Hogescholen van Gent en Leuven.

1857: Werd lid van het Willemsfonds dat hem lectuur verschafte waarvan hij op het college het bestaan niet eens vermoedde.

Hij werd ook lid van ‘t Zal Wel Gaan (bestuurslid tot 1888), de Snellaertkring en de Zetternamkring.

1861: Zo slaagde hij er pas op 21-jarige leeftijd in, met de steun van professoren en vrienden, studies voor Geneeskunde (verloskunde) te beginnen aan de Gentse Faculteit.  Niettemin moest hij,  na twee succesrijke kandidatuurjaren, kiezen voor een job als betaalde binnenleerling in het Stuivenberg-hospitaal te Antwerpen. Pas na drie jaar hospitaaldienst kon hij  (weer met de hulp van vrijzinnige vrienden) de studies voor zijn doctoraat aanvatten aan de toen nog volledig Franstalige Vrije Universiteit Brussel.

1862: Vanaf 1862 (en twintig jaren lang) publiceerde hij geregeld gedichten in het Gentse Nederduytsch letterkundig jaarboekje dat werd geleid door Frans Rens.

1870: Promoveerde tot doctor in de Genees-, heel- en verloskunde.

  • Zonder middelen lukte het hem niet, als jonge arts een praktijk te beginnen. Daarom koos hij voor een militaire dienst: hij was legerarts van 1870 tot hij in 1890 op pensioen werd gesteld.

19 oktober 1871: Kwam terug in het leger als arts van het 1e regiment Jagers te paard.

1879:  Publicatie van zijn autobiografische tendensroman ‘Een Vlaamsche jongen’.

De literair historische betekenis en moderniteit ligt vooral in het strijdbaar individueel en zelfs individualistisch accent. Dit is nieuw in het Vlaamse proza. Voor het eerst geeft een Vlaamse auteur rekenschap van zijn intellectuele en artistieke evolutie.

  • Het boek gaat over zijn armoedige jeugd op het platteland, het onrechtvaardige loting-systeem, zijn Antwerpse jaren, de problemen die hij had om te kunnen studeren, de cholera-epidemie, zijn ervaringen in het leger en de schoolstrijd.
    • Om U een idee te vormen van het realistische gehalte nodigen wij U uit een excursie te maken naar de site van www.Jan Koene.nl , die een mooie passage uit het boek citeert en situeert onder de titel Keizersnede ten tijde van de cholera. Een ronduit hallucinerend verhaal uit zijn eigen ervaring.
  • Dit boek werd op zeer gemengde gevoelens onthaald door de critici. Het werd geprezen door vrijzinnigen (o.m. Lode Baekelmans en Max Rooses) maar verketterd door katholieken.
  • Vaak wordt het boek vergeleken met ‘Ernest Staes’ van Anton Bergmann, maar dit klopt slechts ten dele. Bergmann objectiveert en legt de klemtoon op het vertelelement, waardoor zijn boek ook voor de volkse lezer toegankelijk werd. Wazenaar daarentegen laat zijn eigen geschiedenis veel sterker op de voorgrond treden. Het verschil tussen zijn hoofdpersonage Constant Vliermans en hemzelf is nauwelijks merkbaar. Een betere verwijzing is Max Havelaar en Multatuli waarbij de held van de schrijver diens alter ego is in het verzet tegen allerlei vormen van maatschappelijke uitbuiting.
  • Zijn eigenlijke levensverhaal, de evolutie van  jonge koewachter tot geneesheer, is zowel getuigenis als relaas van een emancipatieproces, waarbij de gevestigde waarden en autoriteiten kritisch worden bekeken en de lezer tot zelfstandig denken wordt aangespoord.
  • Het boek is deels tendensliteratuur – het almachtige katholicisme wordt in de geest van de vrijzinnigheid afgewezen – maar wordt ook gekenmerkt door een groeiende literaire bewustwording in Vlaanderen.

27 Mei 1880: Werd bataljons-geneesheer van 1e klas. Hij behoudt deze graad wanneer hij door koninklijk besluit van 22 Juni 1890 op pensioen gesteld werd.

1881: Debuteert als dichter met de bundel Langs ruwe paden.  Het is een enigszins gekunstelde natuurpoëzie. Karel van de Woestijne spreekt in zijn kritiek over: romantisch-wijsgeerige verzen, of sentimenteele, schwärmerische ontboezemingen.

1883: Er volgt een tweede bundel In de natuur.

Vanaf deze periode bestaat zijn werk hoofdzakelijk uit multatuliaans aandoende en hardnekkige polemieken oa tegen Pol de Mont (1881-1882) en Omer Wattez over Jan van Beers’ bundel Rijzende blaren (1887-1889).

1886:  Werd tot werkend lid verkozen van de toen nog grotendeels door katholieken “bemande” Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Het leverde hem behoorlijk wat kritiek op bij zijn vrijzinnige vrienden.

1890: Werd wegens ziekte als bataljonsdokter, uit het leger verwijderd en op rust gesteld. Naar het getuigenis van verscheidene burgerlijke geneesheren was zijn ziekte op dat moment echter volledig genezen.

  • In zijn boek ‘Een officier geworgd’ tekende hij hiertegen striemend protest aan.

Uitmuntend stilist als hij was, danken onze letteren hem nog: Over veelschrijven in zake van Fraaie Letteren, 1890.

1892: In de roman Een officier geworgd in het Belgisch leger (1892), protesteert hij tegen zijn voortijdige pensionering als legerarts. Het is een zeer polemische tekst waarin de administratie van het leger ongenadig gehekeld wordt.

1906:  Overlijden te Gent.

Hij werd begraven op het gemeentekerkhof, de huidige Westerbegraafplaats. In Ledeberg werd een straat naar hem genoemd.

Meer over Wazenaar 

  • Lode Baekelmans: Dr. Amand de Vos,  in: Jaarboek van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, jrg. 6 (1946-1948) p.51-75
  • Danielle Dewever: Monografie Dr. Amand De Vos (Wazenaar) 1840-1906 (1969-1970). Ongepubliceerd proefschrift, RUG, Letteren en Wijsbegeerte
  • Hein Persyn: Wazenaar (1982), p. 131-160
  • Raymond Vervliet: Vos, Amand de, in: Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging (1998),  p. 3567-3568
  • Amaat L.J. de Vos en Yvan de Maesschalck: Een Vlaamsche Jongen (2000)

 

Geraadpleegde bronnen

Websites

Referenties

  • Ada Deprez: Walter Gobbers; Karel Wauters (red.): Hoofdstukken uit de Vlaamse letterkunde in de 19de eeuw. Deel 1. KANTL Gent 1999 pp. 279-280.

 

BIBLIOGRAFIE

De bibliografische gegevens werden onder meer nagekeken bij

  • Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience –Antwerpen.
  • Koninklijke Bibliotheek van België – Brussel / Bibliothèque Royale de Belgique – Bruxelles.
  • Universiteitsbibliotheek Gent.

Om de foto’s in de fotogalerij te vergroten klik op de foto

Chronologisch overzicht

 Jaar  Titel  Fotogalerij  Uitgever 1ste druk
 1879  Een Vlaamsche jongen. (roman)  Gent: Boekhandel W. Rogghé (J. Vuylsteke) Kalanderberg, 13. -288p.
Drukkerij  Eug. Vanderhaeghen.
 1880  De Critiek en Een Vlaamsche Jongen  Gand : imp. Eug. Vander Haeghen : lib. J. Vuylsteke. -46p.
 1881  Nog over Critiek.  Gand : imp. Vander Haeghen : lib. J. Vuylsteke. -129p.
 1881  Langs ruwe paden. (poëzie)  Gand : imp. I. S. Van Doosselaere : lib. J. Vuylsteke. -264p.
 1881  Een Vlaamsche jongen. Tweede, omgewerkte, zeer merkelijk vermeerderde uitgaaf. (roman)  Gand : imp. F.-L. Dullé-Plus, lib. J. Vuylsteke. – XVI-378 p.
 1882  Poets wederom P…. Toets, na lezing van het artikel door Prof. Pol De Mont, geteekend Olympio  In: Jong Vlaanderen Gand : imp. Dullé-Plus. -16p.
1884 In de natuur. (dichtwerk) Gent: Hoste. -219p.
1887 Prijskamp en Academie. Gand : imp. Dullé-Plus. -209p.
1887 Het Verraad-Van Hoorde, Vervolg van Prijskamp en Academie. Gand : imp. Dullé-Plus. -94p.
1888 Nog het Verraad-Van Hoorde, tweede Vervolg van Prijskamp en Academie Gand : imp. Dullé-Plus. p. 97-162.
1888 Keerzijde van Van Beers’ ‘Rijzende Blaren’. Lokeren: Wed. De Smet-Themon. -84p.
1889 Keerzijde van Van Beers’ ‘Rijzende Blaren’, Bijvoegsel (aan Remo). Lokeren: Wed. De Smet-Themon. P89-132.
1890 Over veelschrijven in zake van fraaie letteren, door Dr. Am. de Vos, werkend lid der koninklijke Vlaamsche Academie, (Plechtige, openbare zitting van 20 December 1889) Gent : A. Siffer. -41p.
Overdruk uit: Verslagen der Vlaamsche Academie 1eR (1889). – p. 381-417
1891 Kunstcredo voorgedragen in algemeene vergadering van het XXIe nederlandsch Congres voor taal en letterkunde te Gent / Amand De Vos  Lokeren : Wed. De Smet-Themon. -16p.
1892 Een officier geworgd in het Belgisch leger: uit het gedenkboek van eenen bataljonsgeneesheer. Lokeren: De Smet-Themon. – VI-376 p.
1893  Vlaanderen maagd en de schim van Willems, in de Vlaamsche Academie, zitting van 15n Maart 1893, voorgedragen / Dr Amand De Vos. Gent : A. Siffer. -14p.
1893 Idealen: gedicht voorgedragen in openbare zitting der Vlaamsche Academie, 22 juni 1893. Gent: A. Siffer. -24p.
1893 Tweede aanklacht bij de Kamer van vertegenwoordigers. Lokeren: De Smet-Themon. -15p.
1894 Eene moeder. Gent : A. Siffer. -13p.
Overdruk uit: Verslagen der Vlaamsche Academie
 POSTHUME UITGAVEN
2000 Gelegenheidsheruitgave van Een Vlaamsche jongen door Amand(us) De Vos alias Wazenaar / [Yvan De Maesschalck]; samenst.: Georges Tallir. Lokeren : Culturele raad. -432p.

 

Toemaatje

Karel van de Woestijne, ‘Dr. Amand de Vos †’ In: Verzameld werk. Deel 6. Beschouwingen over literatuur. Het dagelijks brood I. Keur uit de brieven in dagbladen 1906-1929 (1950)

Dr. Amand de Vos †

9 November.

Een geel, vermoeid, schuw-ziende, nijdig-ziekelijk aangezicht; een gebogen gestalte; eene magere, witte hand, die de sigaar langzaam van en naar den mond bracht; een scherpe en wrokkige blik die achter de brilglazen gluurde; zoo kon men hem iederen dag, op hetzelfde uur, achter een gelijk glas bier in een koffiehuis dichtbij ‘t station te Gent zitten vinden: een beeld van onmachtigen haat, van onvoldane wraakneming gelijk; de achterdochtige gedaante-zelf van ‘t ingeworteldste pessimisme; – in den grond een diep-goed, zeer-edel mensch, voor wien het leven alleen niet steeds zacht, niet altijd mild was geweest; een fijn-gevoelige, een lichtgeraakte, bij wien de minste schram een blijvende, kankerende wonde werd; een in-zich-zelf levende natuur, die vermaak scheen te vinden elke wonde tot meer leedgenot nog steeds te vergrooten.

Zoo sleet Dr. Amand de Vos, in literatuur Wazenaar, de laatste jaren van zijn ziekelijk leven, jammerend om eigen gezondheid, jammerend om de slechtheid der tijden en ‘t verval der karakters, jammerend om de wankelbaarheid der geesten en de verslapping – aldus noemde hij het – van onze Vlaamsche letteren: een negeerder, omdat hij niet wist waar zijne liefde te plaatsen; een idealist, en dáardoor de eeuwig-gekwetste.

Hij had, student nog in de medicijnen, als literator gedebuteerd met een door en door gezond boek: zijn, autobiographische, Vlaamsche Jongen; onbeholpen nog in de taal, onvast van stijl, werd het echter niettemin ontvangen als een jongeren broer van Ernest Staes, van Tony Bergmann, als een werk dat, in zijn persoonlijkheid, eene synthetische waarde bezat: het droeg in zich den adem van een land en van een deel der bewoners van dat land; in zijn naief en krachtig realisme zóo frisch, dat het thans nog, na Streuvels en Buysse, zeer leesbaar, zeer levend bleef en dat sommige deelen als klassiek in de Vlaamsche hoofden en harten blij-wakker, blij-aandoend voortbestaan.

Maar in zijn Langs ruwe Paden, romantisch-wijsgeerige verzen, of sentimenteele, schwärmerische ontboezemingen, spreekt reeds de pessimist. De beste deelen eruit, ‘t beste van heel zijn poëtischen arbeid, waar hij zich weet te verheffen tot de mannelijkheid van den Vuylsteke der verhalend-bespiegelende gedichten, zijn echter niet alleen een klacht: zij zijn een aanklacht.

En nu dacht de jonge krijgsdoctor, de levenslustige, zeer gevoelige schrijver van Een Vlaamsche Jongen, zijn weg gevonden te hebben: het pamphlet, de uitdagende kritiek, de beschuldigende satire zou ‘t wapen worden waar hij, door de lagere massa heen, zijn weg ter glorie meê zou banen.

Het was, allicht en waarschijnlijk, de vergissing van zijn leven. De gewoonte, aanvankelijk eene liefhebberij van den strijdlustigen jongen man, die zijne krachten beproefde – zijne pen in gal en edik te doopen (en Pol de Mont weet dat hij geen gemakkelijk polemist was!), deed, dat hij weldra alles zwart en leelijk ging zien, zichzelf vervolgd waande waar alleen zijn hoogmoed even werd gekwetst, en zich in zulke mate geroepen scheen als publiek aanklager op te treden, dat zijne verwoede of bedilzuchtige, openlijke of verstokene aantijgingen niet zonder gevolg bleven: hij werd gedwongen als krijgsgeneesheer zijn ontslag in te dienen, wat aanleiding gaf tot zijn boek: Een Officier geworgd in ‘t Belgisch Leger. Het woord geworgd alleen toont den geestes- en gemoedstoestand des schrijvers aan.

In ‘t particuliere leven teruggetrokken, buiten werkdadigen omgang met arbeidende schrijvers of strijdende flaminganten, werd het bestaan, verbitterd nog door ziekelijkheid, hem niet aangenamer. Liet hij de pen ook rusten – slechts nog enkele, verre van goede, verzen schreef hij, nu en dan: een paar balladen en bombastisch pathos over de Armenische uitmoordingen, – scheen hij in den vrede van den huiselijken kring te vermilden – want in den grond was hij zielsgoed -: de gewoonte van wrok en achterdocht liet op zijn geel en gallig aangezicht een rebarbatief, niet aanlokkelijk masker. Dr. Amand de Vos was, naar uitzicht, niet sympathiek. Hij bleef de gekrenkte; verzoening had aan zijn trekken de rust niet teruggegeven.

Maar wie den man mocht naderen had aldra eerbied voor hem. Hij wist dat hij edel was, geestelijk-hoog stond, nooit was afgedaald tot onwaarheid of lagere karreweitjes.

Dr. Amand de Vos was allen eerbied waard. En, wat beter is: hij blijft voor ons de schrijver van Een Vlaamsche Jongen.