home | Inloggen
Aantal schrijvers: 531 | Aantal boeken:

15464

Mussche, Achille

Maakt deel uit van: , ,

ACHILLES MUSSCHE

mussche-achille-0

Gent, 12 augustus 1896 – Gent, 30 augustus 1974

Dichter en prozaschrijver

Kind uit een arbeidersgezin; werd onderwijzer, leraar en later inspecteur bij het onderwijs. Was zijn hele leven overtuigd links-socialist.

Literair sluit zijn werk aan bij het humanitair expressionisme.

 

BIOGRAFIE

12 augustus 1896: Achilles Mussche werd geboren te Gent in een arbeidersgezin. Vader was huisschilder, moeder spinster in een fabriek. Zijn jeugd bracht hij door in armoede. Zijn ganse latere werk zal hierdoor beïnvloed worden en het is niet te verwonderen dat hij heel zijn leven overtuigd socialist bleef.

1910: op zijn veertiende jaar ging hij werken als jongste bediende in het exportbedrijf De Baerdemaecker in het Gentse havengebied, doch nadien slaagde hij in een toelatingsexamen voor de lagere normaalschool.

1911: studeerde aan de Gentse Normaalschool voor onderwijzer. Met zijn studiegenoten, o.m. Raymond Herreman, Karel Leroux en Maurice Roelants, gaf hij er het (handgeschreven) letterkundig tijdschrift Moderne Kunst uit.

1915: behaalde diploma van onderwijzer.

  • Tijdens zijn studieperiode raakte hij gefascineerd door de literatuur, niet alleen de Nederlandse maar ook de Duitse, Franse en Engelse, alsmede door het boeddhisme.

1918: behaalde diploma van regent.

  • Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij leraar aan een stadsschool.
  • Mussche zag de taalstrijd eerder als een sociaal verzet tegen de franskiljonse bourgeoisie. Gedreven door dit gevoel voor sociale rechtvaardigheid en ook door zijn Vlaamsgezindheid, verzeilde hij in kringen van het activisme. Na de oorlog werd hem activisme aangewreven: zijn regentendiploma werd nietig verklaard en bovendien werd hij ontslagen als onderwijzer.

1922: kreeg amnestie en werd leraar aan de gemeentelijke lagere school te Ledeberg.

  • Inmiddels was hij (met o.m. Wies Moens en Raymond Herreman) redacteur van Ons Vaderland, dagblad van de aanvankelijk (tot 1921) links gerichte Frontpartij, en nadien (met Joris van Severen) medestichter van het katholieke tijdschrift Ter Waarheid. In 1923, toen Van Severen de Frontpartij een fascistische richting gaf, verliet hij de partij én de redactie van Ter Waarheid.

1927:  debuteerde met de dichtbundel, De twee vaderlanden,. zijn “vaderlanden”  waren het aardse (het sociale dat hem zou blijven bewegen) en het  hemelse (religieuze).

  • De bundel werd in 1928 met de August Beernaertprijs bekroond, en in 1929 nogmaals met de Staatsprijs voor Poëzie.
  • Met de poëzie in De twee vaderlanden, -lange , hymnische verzen die soms in ritmisch proza overgaan, wordt voor een laatste keer in de Vlaamse letterkunde op volwaardige wijze aan het idealisme en het pathos van het humanitair expressionisme gestalte gegeven.

1928 – 1948: leraar aan de Rijksnormaalschool in de Ledeganckstraat te Gent.

1828: tegelijk werkzaam voor het Gentse dagblad Vooruit, vooral met literaire bijdragen.

1940-1944: tijdens de Tweede Wereldoorlog nam hij deel aan de leiding van het Gentse verzet. Op het nippertje ontsnapt aan de Gestapo, dook hij in 1944 onder in het preventorium te Astene (waar hij werkte aan zijn later werk, Aan de voet van het Belfort).

1945: na het overlijden van August Vermeylen in 1945, was hij medestichter van het August Vermeylenfonds (waarvan hij tot 1966 voorzitter was).

1945 – 1971: redactielid van het Nieuw Vlaams tijdschrift.

1948: benoemd tot rijksinspecteur normaalonderwijs voor de Germaanse talen benoemd.

1950: Mussche’s  meesterwerk, zijn “opus magnus” Aan de voet van het Belfort rolt van de persen.

  • Het is een indrukwekkend, met hartstocht geschreven sociaal fresco van het in heel Europa onmenselijk uitgebuite textielproletariaat, van de Middeleeuwen tot in de 19de eeuw. De Vlaamse, en in het bijzonder de Gentse wevers staan in dit boek symbool voor de kapitalistische uitbuiting van de loonslaven. Het verzet tegen die sociale ellende werd eeuwenlang neergeslagen tot het opkomende socialisme, “gelouterd met bloed” en als “een rode klomp van hartstocht en durf” de strijd organiseerde. Mussche wist waarover hij schreef: in zijn jeugd had hij de armoede, de verpaupering van het werkvolk in de steegjes en de beluiken aan den lijve ondervonden – en hij had de geschiedenis van het proletariaat jarenlang bestudeerd. Hij droeg dit boek op aan zijn moeder (spinster, “ ’t laagste van ’t laagste in de rangorde van het textielwerk”) en aan Edward Anseele (die hem ooit stimuleerde om dit boek te schrijven).

1954: publicatie van zijn belangrijkste toneelstuk, Christoffel Marlowe of er is een duivel te veel.

  • De figuur van Christoffel Marlowe wordt hier met die van Shakespeare gecontrasteerd: terwijl Shakespeare de beredeneerde, beheerste denker voorstelt, symboliseert Marlowe de genieter, de romantische vagebond die erop los leeft en in wezen een atheïst is, vandaar ‘de duivel’, de Faust die in Marlowe zelf huist. Mussche beklemtoonde dat zijn stuk geen historisch drama is; de figuur van Marlowe, voor wie hij uiteindelijk partij lijkt te kiezen, vertoont bepaalde karaktertrekken van Mussche zelf.
  • Dit toneelstuk leverde hem in 1956 de Nestor De Tièreprijs op.

Thans doet zijn werk enigszins ouderwets aan; het gebruik van vrij vers draagt zeker bij tot het feit dat zijn Marlowe niet meer opgevoerd wordt.

1966 : lid van de toenmalige Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde én voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen.

1971: nam ontslag uit de redactie van het Nieuw Vlaams tijdschrift uit protest tegen het opnemen van Jef Geeraerts’ Zevende brief rondom liefde en dood waarin de 1 mei-stoet fascistoïde werd genoemd en waarin repressietoestanden werden verdraaid.

30 augustus 1974: overlijden te Gent.

 

Nog over zijn werk

Onderwijs

Op professioneel gebied publiceerde hij een aantal  handboeken voor het onderwijs, over woordenschat, uitspraakleer en taal- en stijlstudie. Zijn Nederlandse poëtica, werd gebruikt als een standaardwerk voor het onderwijs. Hij gold als iemand met bijzondere pedagogische bekwaamheid.

Essays.

Zijn ruime intellectuele belangstelling richtte zich op uiteenlopende figuren als

  • de naturalistische prozaïst Cyriel Buysse (Cyriel Buysse, 1929);
  • de Gentse etser Jules de Bruycker (Gent en zijn etser-tekenaar De Brucyker, 1936)
  • de socialistische dichter Herman Gorter (Herman Gorter, de weinig bekende, 1946)
  • de communistische leidster en martelares Rosa Luxemburg(Gedenksteen voor Rosa, 1961)

De latere lyriek

Het is al bij al moeilijk hem een volbloed expressionist te noemen, in zoverre dat het zou betekenen dat hij zich met experiment bezighield. Eerder zou men hem kunnen plaatsen in  de laatste fase van een twintigste-eeuwse neo-realistische (of post-expressionistische) stroming; hij is niet meer meegegaan in het postmodernisme.

 

Meer over A. Mussche

  • Jan Schepens: Achilles Mussche [1946]
  • Frans Buyens: Beschouwingen rondom het werk van Achilles Mussche (1952)
  • Florquin, Joos: Achilles Mussche, in: Ten huize van…, dl. 2 (1964), p. 91-131. Interview
  • Raymond Herreman: Achilles Mussche (1966)
  • Jan Emiel Daele: Een beeld van Achilles Mussche, 75 jaar, in: Pan : Oostvlaams bulletin voor letteren en kunst, jrg. 19 (1972), nr. 1. Speciaal nummer van het tijdschrift
  • Hubert Lampo: Achilles Mussche, of het engagement van het geweten, in: Achilles Mussche: Aan de voet van het Belfort (1975). Inleiding bij de Mercator-luxe-editie, met houtsneden van Frans Masereel en een pentekening van Jozef Cantré
  • Achilles Mussche : leven en werk (1984). Uitgegeven n.a.v. de Achilles Mussche-herdenking. Met teksten van Rik Lanckrock, Emile Parez, Lisette de Backer, Johan Notte en met een bibliografie van en over de auteur.

 

GERAADPLEEGDE BRONNEN

Websites

SMAAKMAKER

Ik ben maar een straatkind

Ik ben maar een straatkind van een dag en nacht ronkende fabrieksstad
en ik heb als kind gesjouwd in ’t orkaan van donderende dokken,
ik heb gespeeld met het stof en de modder van greppels zo teer als met witte bloemen
en de vuile schotels van mijn moederken gewassen als blinkende sieraden;
’s avonds kroop ik naar bed op mijn zolder bij de muizen die mij kenden en speelden met mij
toen stond telkens opnieuw de drift om de kimmen te zien in mij op
en ‘k wrong mij door het dakvenster: dan tuurde mijn ziel over de wereld
een panorama van rooie daken – maar de vleermuizen scheerden langs mijn hoofd
en zij brachten mij het eerste teken van uw eeuwig geheimenis, o God.
Ik ben maar een sjofel kind van grommende fabrieken en dokken,
Ik ben maar een kind van veel honger en een beetje vreemde teerheid en oneindige opstandige    liefde,
Ik ben maar een arme bloem van de straat.
Nu spant gij, o God, de hymnen van uw leeuweriken boven mijn hoofd
maar in mijn bloed speelt onstilbaar de muziek van machines en kranen
En mijn hart onderhoudt de herinnering aan al het donker van weleer.
O gij verre vogelaar van de metafysische kimmen,
die mij zo vleiend zoet lokt op de fluiten der winden,
neen neen ! ik kan niet uitvliegen naar u alleen
en mij voor eeuwig gevangen geven aan de zaligheid uwer liefde alleen,
ik kan niet gelukkig zijn, en ik heb zo’n wroeging, o mijn broeders
wijl gij zwoegt en hongert daarbeneên.
Ik moet mijn deel hebben van onrust en pijn,
ik moet mijn eind weegs gaan doorheen de woestijn,
omdat ik o moederken, de erfenis draag
van al uw strijd en offervaardigheid.
Mijn hart is op zoek naar een heroïsch liefdelied
om het ’s nachts aan de zoldervenstertjes van jochies en weesjes
te joedelen als een vooizeken van de meie;
mijn hart, met al de honger van zijn kussen,
met al de loutering zijner tranen,
is op zoek naar de apotheose van God
in de bevende vuile handen van een besje;
mijn hart is van kimme tot kimme van afgrond tot afgrond,
zoekend het pad naar gans God en gans de mens
in één en dezelfde liefde.

 

Nog altijd

Uit: onvoltooide symfonie. (1971)

Vreemd te moede,
alleen in de schemerlaan
kijk ik, stilstaand,
nog een keer om mij heen.
Achter dat hoekje daar,
nog enkele passen maar,
is het voorgoed
met mijn drift gedaan.
Waarom dan
ben ik zo onvoldaan
en sta hier, arme stakker ?
Ik heb toch veel gekregen
van het leven,
ik heb toch veel gegeven
in mijn leven;
soms, in een hoge vreugde,
liep ik begenadigd –
en toch, en toch,
zo dicht bij ’t eind,
ben ik nog altijd
onverzadigd.
 
DE VLAAMSE HEL
Er is nergens een lamp, er is nergens een pitje van een licht langs de weg. Wat is er dan, wachter, van de wereld, in ’t putje van de winter, ’s ochtends om een uur of vier ? Duisternis, zwarte duisternis, niets dan duisternis om en om, wij zien hier geen hand voor onze ogen. Maar wij horen de klompen op de plaveien, de haastige klompen, meer dravend dan stappend om er bijtijds te zijn en om de voeten wat te verwarmen, en als wij ze niet meer horen, dan zakken zij weg, tot over hun enkels, in de poelen van modder en dras. Want het regent, het regent sedert gisteren al, het regent radeloos en bandeloos in een echt hondeweer. Of liever neen, de honden blijven binnen, die vinden altijd wel een hok of een hoek om in weg te kruipen en weg te schuilen; dit is voorzeker geen hondeweer, dit is alleen een weer voor de kinders van de vlasfabrieken. Of de wereld is koud en hard als ijs, het vriest dat het kraakt en een scherpe wind bijt en snijdt tot op het blote lijf, zij hebben niets anders dan een plunje van lorren en lompen aan. De meisjes mogen in het midden lopen, zij zijn daar een beetje beschermd, dicht tegen elkaar gedrukt, in kleine hoopjes schaduw, ineengedoken, en de jongetjes gaan op de hoek, als mannen, de vuisten diep in de zakken gestoken en de pet tot over de oren getrokken, met de drinkpul en de eetzak over de arm. Zij zijn allen doorweekt, of zij zijn allen stijf van de koude, maar zij mopperen niet, zij klagen niet; zij weten wel, al zijn zij nog kinders: dit is het leven, dit is hun lot. En daar, wat loopt er daar, heel alleen, zo tenger en klein, in de zwarte nacht, door de zwarte weiden en over de zwarte sloten heen als een dier dat wordt opgejaagd ? Het is niets, het is niets dan een meisje uit ons dorp en zij moet het maar weten dat zij zich heeft overslapen en nu holt zij hijgend dwars door de weiden en zij springt weer over een brede sloot en zij tuimelt erin en zij komt eruit gekropen, druipend nat tot op het lijfje en haar kleren bemodderd van top tot teen, maar zij rent alweer verder, de duisternis in, één hoopje schrik om te laat te zijn.
 
Uit: Aan de voet van het Belfort, 1950.

BIBLIOGRAFIE

De bibliografische gegevens werden onder meer nagekeken bij

  • Koninklijke Bibliotheek van België -Brussel/ Bibliothèque Royale de Belgique – Bruxelles.
  • Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience – Antwerpen.
  • Piet Devos: Van reuzen tot dwergen. Bibliografie – Vlaamse schrijvers in de 20ste eeuw – Eerste drukken. Kortrijk, eigen beheer 2007
  • POËZIECENTRUM VZW – Gent

Om de foto’s in de fotogalerij te vergroten klikt u op de foto.

Chronologisch overzicht

Jaar Titel Fotogalerij Uitgeverij 1ste druk
1927 De twee vaderlanden. (poëzie) Antwerpen: De Sikkel. -114p. / Arnhem : Van Loghum Slaterus.
Afmetingen: 25.70 x 19.30 (ingenaaid)
1929 Cyriel Buysse. (studie)
Met portret en bandversiering door Frans Masereel.
Gent : Van Rysselberghe en Rombaut : N. V. Druk. Erasmus. -101p.
1932 Conflicten en meditaties. (bundel essays)
Omslagteekening Jozef Cantré
Kortrijk: Uitgave “Steenlandt”. -101p.
Afmetingen: 19 x 14 (ingenaaid)
1936 Gent en zijn etser-teekenaar De Bruycker. (essay) Oude-God, Antwerpen: Die Poorte. -35p.
Reeks: Boekengilde Die Poorte. vol. 3: 4
1938 Koraal van den dood. (poëzie)
Omslagontwerp en houtsneden zijn van Jozef Cantré
Gent: Stedelijke Jongensberoepschool. -61p.
Afmetingen: 25 x 16.50 (ingenaaid)
Twee kleurendruk zwart-rood.
Colophon: Dit ‘Koraal van den dood’ werd uit de fijne Egmont-letter op simili-Japansch papier in 1938 gedrukt in de werkplaatsen van de Stedelijke Jongensberoepsschool te Gent met de medewerking van Jozef Cantré, die het omslag ontwierp en de houtsneden maakte.
Er werden 300 genummerde exemplaren getrokken, waarvan 60 voor de ‘Vrienden van het Vlaamsche Boek ‘ te Gent..

 

1946 Herman Gorter, de weinig bekende. (essay) Antwerpen: S.M. Ontwikkeling. -111p.
1948 Nederlandse poëtica. (leerboek)  Mussche 9 Brussel: Uitgeversmaatschappij A. De Boeck. -195p.
Afmetingen: 22,50 x 15,50 (ingenaaid)
1949 De broeder van Hamlet, Drie nieuwe monologen. (essay) Antwerpen: S.M. Ontwikkeling. -63p.
1950 Aan de voet van het Belfort. (proza : historische herbeelding)
Illustraties:Jozef Cantré.
1954: 2de herziene druk bij De Sikkel, Antwerpen.
1966: 3de druk in de reeks Vlaamse Pockets nr 200 bij Uitgeverij Heideland, Hasselt. (1967²)
Mussche 1a
Antwerpen: De Sikkel. -217p.
Afmetingen: 20.75 x 15 (gebonden met stofomslag)
Colofon: van dit boek werden gedrukt 60 exx. Op Van Gelder, genummerd van 1 tot 60, met de handtekening van de zchrijver en de illustrator.
1952 Inleiding tot G. Gezelle. (essay) ‘s-Gravenhage : Van Goor. -140p.
1954 Christoffel Marlowe of Er is een duivel te veel. (drama) Antwerpen: S.M. Ontwikkeling. -110p.
Overdruk uit: Nieuw Vlaams tijdschrift. – 7:10(1953/54)
1954 Aan de voet van het Belfort. (sociaal fresco)
Omslagtekening van Eug. Hermans
Tweede herziene druk van 1950
Antwerpen: De Sikkel. -217p.
Afmetingen: 27.50 x 13.50 (ingenaaid)
Drukkerij Lombaerts N.V. , Schoten
1961 Gedenksteen voor Roza (roman)
Omslag en bandontwerp: John Trouillard
Foto omslag: Filip Tas
Technische uitvoering: Pierre van den Broeck.
Antwerpen: S.M. Ontwikkeling. -305p.
Reeks: ontwikkeling nr 173
Afmetingen: 21.25 x 13 (gebonden met stofomslag)
Druk en uitvoering: Excelsior Antwerpen
1962 Langzaam adieu. (poëzie) ‘s-Gravenhage: A.A.M. Stols, J.- P. Barth. -71p.
Afmetingen: 17.50 x 12(gebonden – harde kaft met stofomslag)
Colofon: Achilles Mussche ‘Langzaam adieu’ werd gezet uit de Palatino en gedrukt op de persen van Drukkerij L. Freriiks & Zn. te ’s Gravenhage.
Het omslagontwerp is van Th. De Haan
Het bindwerk werd verzorgd door boekbinderij Spigelenberg.

 

1964 Reinaert de Vos, uit het Middelnederlands zo getrouw mogelijk in modern proza overgebracht door Achille Mussche.
Verlucht met zeven houtsneden plus één op het stofomslag om de linnen band.
Mussche 8 Amsterdam : J.M. Meulenhoff. -109p.
Afmetingen: 22.4 x 14.8 (gebonden in een linnen band met stofomslag)
Colofon: Reinaert de Vos, uit het Middelnederlands zo getrouw mogelijk in modern proza overgebracht. door Achilles Mussche werd naar typografische aanwijzingen van Jan Vermeulen gezet uit de letter Poliphilus, gedrukt door N.V. Drukkerij G.J. Thieme te Nijmegen en verlucht met houtsneden [zeven plus één op het stofomslag om de linnen band] uit Le Renard, verschenen bij Christoffel Plantijn, Antwerpen 1564’.
1967 Dat arm beetje mens. (proza) Amsterdam: Meulenhoff. -127p.
Afmetingen: 19.75 x 11.50 (gebonden met stofomslag)
1971 Onvoltooide symfonie. (poëzie – bloemlezing)
Bevat gedichten uit de bundels: De twee vaderlanden (1927); Koraal van de dood (1938); Langzaam adieu (1962); Ongebundelde gedichten.
Hasselt : Uitgeverij Heideland-Orbis nv. -79p.
Reeks: Poëtisch Erfdeel der Nederlanden nr 75
Afmetingen:18 x 10.70 (ingenaaid)

 

 

Overzicht per genre alfabetisch op titel

Poëzie

  • De twee vaderlanden. (1927) Antwerpen: De Sikkel. -114p. / Arnhem : Van Loghum Slaterus.
  • Koraal van den dood. (1938) Gent : Stedelijke Jongensberoepschool.
  • Langzaam adieu. (1962) s-Gravenhage: A.A.M. Stols, J.- P. Barth.
  • Onvoltooide symfonie. (1971), Hasselt : Uitgeverij Heideland-Orbis.

Proza

  • Aan de voet van het belfort.(1950) Antwerpen: De Sikkel.
  • Dat arm beetje mens. (1967) Amsterdam: Meulenhoff.
  • Reinaert de Vos, uit het Middelnederlands zo getrouw mogelijk in modern proza overgebracht. (1964) Amsterdam : J.M. Meulenhoff

Toneel

  • Christoffel Marlowe of Er is een duivel te veel. (1954) Antwerpen: S.M. Ontwikkeling.

Essay

  • Conflicten en meditaties. (1934) Kortrijk: Steenlandt.
  • Cyriel Buysse. (1929) Gent : Van Rysselberghe en Rombaut; (Ill. Masereel)
  • De broeder van Hamlet, Drie nieuwe monologen. (1959) Antwerpen: S.M. Ontwikkeling.
  • Gedenksteen voor Roza. (1961) Antwerpen: S.M. Ontwikkeling.
  • Gent en zijn etser-teekenaar De Bruycker. (1936) Oude-God, Antwerpen:  Die Poorte.
  • Inleiding tot G. Gezelle. (1952) ‘s-Gravenhage : Van Goor.
  • Herman Gorter, de weinig bekende.  (1946) Antwerpen: S.M. Ontwikkeling.