home | Inloggen
Aantal schrijvers: 535 | Aantal boeken:

15559

Cuppens, August

Maakt deel uit van: , ,

August Cuppens

Cuppens 0

Beringen, 22 mei 1862 – Loksbergen, 1 mei 1924

August Cuppens was priester en schrijver van proza, poëzie en toneel.

Hij was een vurig bewonderaar van Guido Gezelle, van wie hij  poëzie in het Frans vertaalde. Mede-oprichter van het tijdschrift “’t Daghet in den Oosten”.

Was initiatiefnemer bij de fusie van Dietse Warande en Het Belfort.

Uit zijn literaire erfenis  onthouden we  ‘Verzekens’ van 1899, ‘Een Rooske van Overzee’ van 1904, de twee deeltjes ‘Vertelselkes’ bij Bomans en van Brusselen uitgegeven in 1906 en de beide  delen van ‘Jaarkrans van Geestelijke Liederen rond den Heerd’ van 1909 en 1911.

Leverde de tekst voor de Vlaamse evergreen O.L. Vrouw van Vlaanderen’ op muziek van Lodewijk De Vocht

BIOGRAFIE

22 mei 1862: Geboren te Beringen als oudste van zeven kinderen van Toon Cuppens, postbode en Rosalie Bomans, een godsvruchtige vrouw die hem ’s avonds uit de bijbel voorlas.

  • Het gezin Cuppens woonde ten tijde van de geboorte van August in een huisje dat tegen het college aanleunde. Wegens uitbreidingsplannen van het college werd hun woning verkocht en verhuisde het gezin naar de O.L.Vrouwestraat.

Onderwijs en opleiding:

  • Lager onderwijs doorliep hij aan de gemeenteschool in Beringen.
  • Middelbaar onderwijs Sint-Roch (Ferrieres)
  • Wijsbegeerte aan het Kleinseminarie te Sint Truiden.
  • Theologie aan het Grootseminarie te Luik

1880: Begon zijn priesterstudies aan het Kleinseminarie van Sint-Truiden.

1881: Laat er een drama in drie bedrijven verschijnen (Sint Chrysolius of de eerste martelaar van Vlaanderen) als bijdrage van het ‘Utile Dulce’, een taalminnend genootschap, gepatroneerd door het Klein-Seminarie.

Het is op één van die bijeenkomsten dat Cuppens Guido Gezelle leerde kennen. Het was ook hier dat zijn literaire vriendschap met Jacob Lenaerts een aanvang nam.

1884: Samen met zijn medestudenten Jacob Lenaerts en Jan Mathijs Winters (die pas in 1887 tot de redactie toetrad), ook “Het Limburgs Driemanschap” genoemd, stichtte hij het tijdschrift ” ‘t Daghet in den Oosten”, een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg.

  • E.H. Polydoor Daniels nam de materiële beslommeringen van het tijdschrift voor zijn rekening.
  • Guido Gezelle stond het driemanschap met raad en daad bij.
  • Op 1 februari 1885 verscheen het eerste nummer.

Met het tijdschrift hoopten ze  ‘…als ’t God belieft, de herten van de Limburgers wat warm te maken voor taal en andere wetensweerdigheden’.

  • De titel refereert naar de aanvangsregel te zijn voor een 14de eeuws Diets minnelied van een anonieme auteur, dat gaat over een ridder die in de vroege morgen een tweegevecht zou moeten aangaan met een andere edelman. De vader van het meisje dat hij begeert heeft zijn dochter voorbestemd aan zijn rivaal, die de ridder vermoord. Het meisje wijst de moordenaar af en wil nog liever een kloosternon worden…
Een oudt liedeken
‘Het daghet in den oosten,
Het lichtet overal !
Hoe luttel weet mijn liefken,
Och, waer ic henen sal,
Hoe luttel weet mijn liefken!’
‘Och waren ‘t al mijn vrienden
Dat mijn vianden sijn,
Ic voerd’ u uiten lande,
Mijn lief, mijn minnekijn!
Ic voerd’ u uit
en lande
  • Het moet worden opgemerkt: terwijl in heel Vlaanderen een nieuwe moderne stroom vloeide waarover het tijdschrift Van Nu en Straks (1893-1901) als een vlaggeschip voer, roeiden die van ‘Daget dertig jaar lang in hetzelfde schuitje over dezelfde trage beekjes door hetzelfde landschap, dat ze in vele Gezelliaanse verzen bleven bezingen. (Stefan Brijs, De vergeethoek p.90)

11 april 1886: Voltooiing van zijn priesteropleiding te Luik waar hij ook zijn wijding ontving op 11 april 1886.

1886-1888: Onderpastoor in het Waalse Ans.

  • Vele priesters die in de 19de eeuw met de Vlaamse taal dweepten (en dus stonden voor een sociale ontvoogding van de Vlamingen), werden eerst in Wallonië aangesteld.
  • In de briefwisseling met Maria Belpaire komt zijn bekommernis voor de Vlaamse ontvoogding duidelijk tot uiting. Ook het lot van de Luikse mijnwerkers – nog voor Rerum Novarum – lag hem nauw aan het hart.

1888-1895: Onderpastoor te Verviers.

1895-1899: Werd aalmoezenier van de Zusterkens der Armen in Luik.

1898: Leert Elisabeth Belpaire kennen, met wie hij een levendige correspondentie begint en plannen smeedt om een nieuw Vlaams tijdschrift in het leven te roepen.

1898: Stichtte de kring ‘Eigen leven’, een plek waar een groep geestesgenoten, waaronder Elisa Belpaire, Hilda Ram en prof. E. Vliebergh. “Mijn gedacht is dat er hier alle slag van mensen moeten zijn, niet alleen letterkundigen, professoren…maar ook anderen en bijzonder kunsteenaarszielen” schrijft hij aan Belpaire.

1899: Publicatie van zijn eerste dichtbundel ‘Verzekens’.

  • Zijn poëzie is wars van alle vernieuwing en is dienstbaar aan het apostolaat, een kenmerk dat hij gemeen heeft mat zijn kompanen Jacob Lenaerts en Jan Mathijs Winters.

1899-1924: Terug naar Limburg als pastoor van Loksbergen (Halen). Hij toverde er zijn pastorij om tot een “oase in de Kempen en talrijk zijn de kunstenaars die hij daar aantrok” (Bernard Cuppens)

  • Zijn interesse voor cultuur, zijn niet-aflatende ideeën en zijn onblusbare nieuwsgierigheid, zo schrijft Jef Habex in zijn Limburgs driemanschap deel IV August Cuppens, kruiste er het pad van tal van kunstenaars. Habex noemt er Karel Lateur, de broer van Stijn Streuvels, kunstenaars François Maréchal en Dirk Baksteen (de schilder van de Kempen), de componist Lode de Vocht en de kunstschilder Gaston Wallaert. En natuurlijk ook Guido Gezelle, Hugo Verriest, Stijn Streuvels, Maria Belpaire, Alice Nahon, Jef Leynen en Jozef Geurts, de directeur van het college te Beringen.

Cuppens was een bewonderaar van Gezelle van het eerste uur, in een tijd dat diens meesterschap nog niet erkend was. Hij vond dat ook Franstaligen moesten kunnen kennismaken met Gezelle’s poëzie. Hij vertaalde in totaal 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Veel ervan vond zijn weg in het Franstalige katholieke tijdschrift ‘Durendal’.
Het ruisen van het ranke riet wordt bij Cuppens:

“ Oh! Le murmure frémissant du svelte roseau !
oh ! si je savais ta triste chanson !
Lorsque le vent passe près de toi
et agite tes tiges qu’il fait fléchir,
Tu fleches, te courbant humblement,
Et chantes, en fléchissant, la triste chanson
que j’aime, o svelte roseau !”

In het decembernummer 1899 (pp 916-926) en januarinummer 1900 van het tijdschrift Durendal verscheen er overigens ook een lang artikel van zijn hand over Guido Gezelle en zijn dichtkunst.

Januari 1900: Op initiatief van Cuppens, dank zij de financiële steun van Maria Belpaire, en met de medewerking van Lodewijk Scharpé en Emiel Vliebergh, realiseerde zich de samensmelting van het Gentse tijdschrift ‘Belfort’ en het Amsterdamse ‘Dietsche Warande’ tot ‘Dietsche Warande en Belfort’.

Door het ondersteunen van Nederlandstalige literatuur zou dit tijdschrift ook een rol spelen in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. August Cuppens liet zich in deze niet onbetuigd en zou via Maria Belpaire er bij de koningin op aandringen om gedichten van hem te verspreiden onder de soldaten aan het front.

1904: In de populaire Duimpjesuitgave verscheen de dichtbundel: ‘Een Rooske van Overzee’.

  • Het is een poëtisch verhaal van Margret Percy, dochter van een Ierse graaf. Cuppens heeft haar gekend als non bij de kloosterzusters te Ans, waar zij bij de verzorging van een stervende mijnwerker zelf besmet werd door gangreen en sterft. Wanneer de mijnwerker dat verneemt, bekeert hij zich. Het spreekt vanzelf dat Cuppens hierin een ideale inspiratiebron vindt.

1908: Cuppens neemt de leiding over van “’t Daghet in den Oosten”. Met het uitbreken van de eerste wereldoorlog wordt de uitgave ervan gestaakt.

1908: Samenwerking met de componist Lodewijk de Vocht mondt uit een eerste deel “Wintertijd” van de “Jaarkrans van Geestelijke liederen rond de haard”.

Aldus werd de parabel van het mostaardzaadje bewerkt

Iemand nam het kleinste der zaadjes,
’t mostaardzaadje, in zijn hand
en hij zaaide en dekte ’t warmpjes
op zijn akkerland.
En het kleinste korreltje kiemde,
wies, en wies, en werd een struik
groter dan al de andere kruiden
van het hofbeluik.
Voog’len sliepen op zijn takken,
bouwden er hun nestjes in…
Ook ’t oneindig Rijk des hemels
heeft zo’n klein begin.

1911: Tweede deel van de jaarkrans, getiteld “Lentetijd” verschijnt. Het is soberder van stijl. Het onderwerp is dan ook de Verlossing van het mensdom door Christus’ lijden.

De twee overige delen verschenen na het overlijden van Cuppens in een uitgave verzorgd door priester-dichter Jozef de Vocht.

Vermelden we ook dat de Vocht ook de componist is van het overbekende Vlaamse lied op tekst van August Cuppens: ‘O.L. Vrouw van Vlaanderen’

Liefde gaf U duizend namen
Groot en edel, schoon en zoet,
Maar geen één die ’t hart der Vlamen
even hoog verblijden doet.
Als de naam, o Moeder Maagd
die Gij in ons laadje draagt
Schoner klinkt hij dan al d’aandren
Onze-Lieve-Vrouw van Vlaandren.

 1914: Door het oorlogsgeweld vluchtte Cuppens naar Nederland, waar hij bij de Kruisheren te Uden verbleef.

  • Daar schrijft hij het gelegenheidsgedicht: “De Slag der zilveren helmen“, na een gevecht tussen Duitse en Belgische troepen te Halen op 12 augustus 1914. Halen grensde aan Loksbergen en het gedicht is een soort kroniek van deze veldslag die de Duitsers aanvankelijk verloren hadden. Toen ze echter terugkwamen werd Cuppens tot gijzelaar gemaakt. Na zijn ontsnapping werd zijn pastorij volledig verwoest.

1923: Hij heeft ook de mondelinge verhalen van Limburg verzameld en opgetekend in een boek “Vertellingen uit Limburg” (1923).

1924: Ter gelegenheid van de herdenking van de slag werd het gedicht “De Slag der zilveren helmen”  op muziek gezet door E. Verreydt en als cantate kleurrijk opgevoerd.

1 mei 1924: Overlijden van de dichter op 62-jarige leeftijd te Loksbergen.

EPILOOG

6 juli 1930: Onthulling van een gedenkteken in Beringen.

Voor de fusie droeg de plaatselijke bibliotheek er zijn naam en zowel in Beringen als in Loksbergen is er een August Cuppensstraat. Beringen heeft ook een toeristisch wandelpad onder de naam ‘August Cuppenswandeling’.

26 maart 1938: Organisatie van een Cuppens-de Vocht avond.

1962: Honderd jaar na zijn geboorte werd in Loksbergen een grootse viering opgezet.

1963: Herdenkingsviering te Beringen

SMAAKMAKER

Lentedeuntje

Hebt ge niet gezien
hoe de botten springen,
blaârkens, lief gekruld,
uit hun schubben dringen,
bloesems, rood en blank,
door hun boeien zingen ?
 
Hebt ge niet gehoord
hoe de merels fluiten,
hoe de leeuwerik
jubelend hangt te tuiten
boven uwen kop
roepend: ‘komt naar buiten!’
 
Hebt ge niet gevoeld
hoe de warme stralen
van de moederlijk-
goede zonne dalen,
’t leven overal
uit zijn kerkers halen ?
 
Joech ! de winter is
in zijn hol gekropen !
Joech ! nieuw leven
in ons hert gedropen !
Joech ! ons boezems gaan
met de bloesems open !

Uit: Verzekens

 

Weg door de heide

Een brede zandweg, heel doorgroefd met graue wagensporen,
– God weet hoe oud, hoe langbereën door biemanskarren – spreidt
Zijn donkergele lengte door de heide en loopt verloren
Daar ginder, onafzienbaar verre, in diepe oneindigheid.

Bezijden aan weerskanten ligt het heidevlak te bloeien –
Een zee van purperrood gebloemte,  – oneindig ook en stil.
Ja, plechtig stil, met weinig meer beweging op dan ’t stoeien
van ’t honingvolkje en geen gerucht dan heimlijk biegetril.

En rechts, heel verre, donkert blauw, haast zwart van duisterheden
En weer oneindig uitgestrekt, het dichte dennenwoud,
Omzoomd door ’t helder wet en groen der berken, slank van leden,
Door ’t leven, dunkt mij, dat de wacht om ’s wouden Doodsheid houdt.

Oneindig, boven woud en weg en heide lacht de hemel,
Lichtblauw, en hier en daar beklad met zwervend wolkgewemel,
Dat vast aan ’t purper van de hei zich zat gedronken heeft

O, zandweg, hemel, donker woud, o Kempenlandse heide,
Is ’t wonder dat wanneer ik stil en eenzaam mij vermeide
In uwe oneindigheid, mijn ziel dan Godswaarts wil en streeft ?

Uit: Verzekens (1899)

Over August Cuppens gesproken

Marie Elisabeth Belpaire vond dat als Gezelle ‘de nachtegaal van Vlaanderen’ kan worden genoemd, Cuppens het ‘blije leeuweriksken’ is.
Groot was de bewondering van zijn generatiegenoten-schrijvers (behoudens Belpaire, Streuvels en enkele anderen) alleszins niet.
Met zijn liedekens, kluchten en blijspelen, deed hij zijn naam als ‘guitig mens’ alle eer aan.

Cuppens was meer de man van plannen en ideeën:

  • Zijn initiatief inzake ‘t Daghet in den Oosten.
  • Zijn betrokkenheid bij de boekenreeks Duimpjesuitgaven
  • Stond mede aan de basis bij de fusie van Dietse Warande en Het Belfort.
  • Vertaalde Guido Gezelle naar het Frans
  • Leverde bijdragen aan de tijdschriften De Banier en Vlaamsche Arbeid.
  • Werkte nauw samen met de jonge componist Lodewijk De Vocht.

Meer over August Cuppens

  • E.H. A.Binnewiertz, Boekbeoordeeling van ‘Verzekens'; in: tijdschrift De Katholiek deel 115-116, 1899,
  • Cl. Van Der Straeten, Aug. Cuppens en de ‘t Dagheterisis; in: Limburg 1924, deel 3,
  • M.E. Belpaire. August Cuppens Zes en twintig jaar Vlaamsche Vriendschap (1925);
  • E.H. Lamotte, Priester-Dichter August Cuppens, in: Ons volk ontwaakt nr 27, 1930.
  • L. Swerts, ‘Een parel van ons kultureel patrimonium’, in: Dat oude land (1941), p. 33-43;
  • Bernard Cuppens, Priester-dichter August Cuppens, het legendarisch pastoorke van Loksbergen (1966);
  • Bernard Cuppens (red.). Hulde-album priester-dichter August Cuppens (1974); Bernard Cuppens, Limburg gedenkt dankbaar Pastoorke Cuppens, in:Limburg 1973, deel 3, p.81-86.
  • Piet Lauwers, ‘Priester-dichter August Cuppens herdacht’, in: Limburg 63 (1984) 5, p. 193-197;
  • J. Habex. Limburgs driemanschap (dl. 4, 2000).
  • Bernard Cuppens, Priester-Dichter August Cuppens, Oostland 1984 blz.10-23.

 

GERAADPLEEGDE BRONNEN

Websites

Publicaties

  • Stefan Brijs, De vergeethoek, Atlas (2003) p. 81-87
  • Jef Habex, Limburgs driemanschap deel IV: August Cuppens. Limburgse Monografieën 2000 (Elfde jaargang nr 43) -28pp.

1999-2000: In de reeks Limburgse Monografieën verschijnen vier deeltjes over het Limburgs Driemanschap. Ze zijn van de hand van Jef Habex.

  • Deel I: Inleiding , Tiende jg. nr 40 (september 1999)
  • Deel II: Jacobus Lenaerts, Tiende jg. nr 41 (december 1999)
  • Deel III: Jan Mathijs Winters, Elfde jg. nr 42 (maart 2000)
  • Deel IV: August Cuppens, Elfde jg. nr 43 (juni 2000)

 

BIBLIOGRAFIE

De gegevens van deze bibliografie werden onder meer nagekeken bij

  • Erfgoedbibliotheek Hendrik – Antwerpen.
  • Koninklijke Bibliotheek van België – Brussel / Bibliothèque Royale de Belgique – Bruxelles.
  • Piet Devos: Van reuzen tot dwergen. Bibliografie – Vlaamse schrijvers in de 20ste eeuw – Eerste drukken. Kortrijk, eigen beheer 2007

Om de foto’s in de fotogalerij te vergroten klikt u op de foto.

Chronologisch overzicht

Jaar Titel Fotogalerij Uitgeverij 1ste druk
1880 Cuppens doet herleven.

In samenwerking met andere auteurs Lodewijk Plessers en Jacob Lenaerts.
Sint-Truiden.: Klein Seminarie Sint-Truiden: Lettervruchten van Utile Dulci.
1882 Sint-Chrysolius of de eerste martelaar van Vlaanderen, drama in drie bedrijven.

Muziek van Edward Verreydt
Leuven: Uitgeverij Bomans.
1893 De molenaar van zorgeloos, klucht in twee bedrijven. (toneel) Sint-Truiden: Klein Seminarie Sint-Truiden: Lettervruchten van Utile Dulci.
1894 De Decoraties, kluchtspel Waregem: Uitgeverij Putman.
1896 Geschiedenis der heilige Elisabeth van Ungarn, landgravin van Duringen (1207-1231)

Oorspronkelijke auteur: graaf de Montalembert.
Vertaald door de EE. HH August Cuppens en Guido Gezelle
Met penteekeningen versierd door Jos. Damien.
Gent: Uitgeverij Siffer. -432p. / Utrecht: Van Rossum.
1899 Verzekens. (poëzie) Gent: Uitgeverij Siffer. -207p.
1900 Nicolas Defrecheux, de waalsche volksdichter. Gent: Uitgeverij Siffer. -37p.

Overdruk uit Dietsche Warande en Belfort.
1901 Jezuke’s wiegelied, tussen os en ezelken, Kerstliederen voor ‘t jaar O.H. 1901. Loksbergen:
1902 Het Communiekantje, drama in één bedrijf. Maldeghem: Victor Delille. -21p.

Reeks: Duimpjesuitgave Nr 35
1904 Een rooske van Overzee. (verhaal in rijm)

Inhoud: Opdracht aan M.E. Belpaire (pp 7-10); Een berechting bij de Zusterkes der Armen (pp 11-26); Margets keuze (pp 27-45); Het schoone zusterke (pp 47-67); Blinde Hendril (pp 69-81); Pretiosa mors (pp 83-92).
Cuppens 1 Maldeghem: Victor Delille. -92p.

Reeks: Duimpjesuitgave Nr 40
Afmetingen: 18 x 13.50 (ingenaaid)
1904 Het schoothondje der koningin. Kluchtig spel in drij bedrijven met zang. Waregem: P. Putman. -47p.

Heruitgave 1912 bij Leuven: Hugo Bomans.
1904 Lievekes kloeke vrijer, klucht in één bedrijf. Leuven: Hugo Bomans. / Waeregem: Puman -15p.
1904 Een berechting bij de Zusterkes der armen. Overdruk uit Dietsche Warande en Belfort.
1904 Ter herinnering aan Alfons, Marie, Joseph Belpaire. Overdruk uit Dietsche Warande en Belfort.
1906 Hoe Sinte-Odrada ter bedevaart reed en andere vertelsels. Leuven: drukkerij Bomans en Vanbrusselen, Parijsstraat, 81. -63p.

Afmetingen: 17.50 x 13 (ingenaaid)
1906 Knepen en streken van van Scapijn, blijspel in drie bedrijven, vrij bewerkt naar Molière. Leuven: Hugo Bomans. -50p. / Brussel: Vlaamse boekhandel.
1906 De zeg van Hans Onversaagd e.a. vertellingen. Leuven: drukkerij Bomans en Van Brusselen, Parijsstraat, 81. – 79p.

Afmetingen: 17.75 x 12.50 (ingenaaid)
1906 Twaalf vertelsels op zijn Limburgs. Leuven : Bomans en Vanbrusselen Parijsstraat, 81. -143p.

Afmetingen: 22 x 14.50
1906 Boerke Naas en de roover; Kluchtige tweespraak naar het liedje van Guido Gezelle. Leuven: Hugo Bomans. -8p.
1908 Morgenlandsche persiken. Klucht in één bedrijf opnieuw bewerkt. Leuven: Hugo Bomans. -16p. / Hasselt: Uitgeverij Ceyssens.
1908 Liederen uit den jaarkrans van Geestelijke Liederen voor den huiskring.

Muziek: Lode de Vocht. 1ste bundel wintertijd
Hasselt: Jules Ceyssens. -20p.
1908 Vivat onz’ Piottekes, Mieke Pruimemond, Als een meisje ‘s Maandags preutelt, ‘t Is Pasen en de zon zit uit, kluchtliederen. Leuven: Hugo Bomans.
1908 Jongelingenklacht en Kwezelkes wederwoord.

Muziek : E. Verreydt.
1909 Neerlands blij verwachten en Neerlands blij gebeuren.

Muziek Lode de Vocht
Rotterdam: Uitgeverij Maasbode.
1910 O.L.Vrouw van Vlaanderen. (gedicht) Antwerpen: Uitgeverij Bode-Vinck.
1911 Het gebed des Heren. Antwerpen: Uitgeverij Jan Boucherij.
1911 Jaarkrans van Geestelijke Liederen rond den Haard.

Muziek : Lode de Vocht, , 2de bundel lentetijd.
Tilburg : Bergmans [W.]. 1 partituur – 47p.
1913 Uit eigen land, Hendrik en Scholtes en Bert Bart, schetsen, verhalen en novellen samen met andere Vlaamse schrijvers Brussel: E. deseyn. P. 130-144.
1915 Slag der Zilveren Helmen. Leuven: H. Bomans /Waereghem: Palmer Putman. -23p.
1915 Onze Mina, klucht in twee bedrijven. Leuven: Hugo Bomans.
1915 De droom der krijgsgevangen, vaderlandse frats in één bedrijf. Leuven: Hugo Bomans -15p.
1915 Burgemeester Gheys voor ‘t Paradijs, toneelspel in drie bedrijven.
1915 Het feestboek van Sulleghem, blijspel in drie bedrijven.
1916 De Hunnen in het Hageland, schets. Maaseik: J. Hoegaerts.
1916
-1917
Van een Waals piotje voor Leuven, ballade Hasselt: uitgeverij St.- Quirinusdrukkerij.

Overdruk uit Limburgse bijdragen
1921 De Verrijzenis van Sint-Jansberg. Hasselt:
1923 Vertellingen uit Limburg. (verhalen)

Met vijftig penteekeningen van G.-J. Wallaert.
Hasselt: Uitgeverij Jules Ceyssens (Demerstraat 11, Hasselt). -149p.

Afmetingen: 21 x 16.25 (ingenaaid)
1923 Huiselijke gedichtenkrans / door Jan Remy Alloing. Versierd met tien penneteekeningen ;

Inleidend woord van August Cuppens
Stavele: druk, Gebr. De Carne. -159p.
1923 Liederen van innigheid / Jef Leynen.

Voorwoord is van August Cuppens
1924 Verzen om voor te dragen. Diest: druk.-uitg. Pulinckx-Lambrechts. 49p.
1924 St.-Evermarus, mysteriespel uit de 10de eeuw, bewerkt en vernieuwd door A.Cuppens. Hasselt: Uitgeverij Jules Ceyssens.
1924 Slag der Zilveren helmen, Cantate, ter gelegenheid van den tienden verjaardag van den ‘Slag bij Haelen’ voor Soli, Koren en Orkest, tekst August Cuppens en getoonzet door E.Verreydt Antwerpen: uitgeverij Bode-Vinck.
 POSTHUUM
1938 Jaarkrans in zakformaat, tekst en melodie. Antwerpen: uitgeverij D’Hooghe.

 

Publicaties in het tijdschrift ‘t Daghet

Jaar Titel Vindplaats tijdschrift
1901 Trio van de meesterzangers. In:  ‘t Daghet, XXV, 1901, blz. 85 – 87.
1901 Enige bedenkingen en wensen over ‘t Vlaamse lied en zijn verspreiding. In: ‘t Daghet, XXV, 1901, blz. 116-118 en 129-134.
1908 De eerste Daghet-jongens en Guido Gezelle. In: ‘ Daghet jrg. 24, 2de aflevering, blz.1-15 en 49-59 (1908).
1909 Een lesken over vergelijking bij ‘t volk gehaald. In: t’ Daghet, blz. 173-178 (1909).
1912 Aan ‘n nieuwgewijde priester, voor eeuwig zijt ge ingelijfd In: ‘t Daghet blz. 44 (1912).
1913 In memorian Jan Matthijs Ballings. In: ‘t Daghet XXIX, blz. 1-38 (1913).
1913 Bij nonk Rikus. In: ‘t Daghet XXIX, blz. 121-124 (1913).
1914 Rouwdichtjes, Deken Jacobus Lenaerts. In: ‘t Daghet Nr.1 (1914).
1914 Van een minderbroerke die een dichter is. In: ‘t Daghet 1914, blz. 15-18 en ook in Dietsche Warande en Belfort II.

 

Overzicht per genre, alfabetisch op titel

Poëzie

  • Slag der Zilveren Helmen. (1915)
  • Van een Waals piotje voor Leuven, ballade (1916)
  • Verzekens. (1899)

Liederen

  • Jaarkrans van Geestelijke Liederen rond den Haard. Muziek : Lode de Vocht, , 2de bundel lentetijd. (1911)
  • Jezuke’s wiegelied, tussen os en ezelken, Kerstliederen voor ‘t jaar O.H. 1901. (1901)
  • Jongelingenklacht en Kwezelkes wederwoord. Muziek : E. Verreydt. (1908)
  • Liederen uit den jaarkrans van Geestelijke Liederen voor den huiskring, muziek: Lode de Vocht. 1ste bundel wintertijd (1908)
  • Neerlands blij verwachten en Neerlands blij gebeuren. Muziek Lode de Vocht 1909)
  • O.L.Vrouw van Vlaanderen. (1910)
  • Slag der Zilveren helmen, Cantate, ter gelegenheid van den tienden verjaardag van den ‘Slag bij Haelen’ voor Soli, Koren en Orkest, tekst August Cuppens en getoonzet door E.Verreydt (1924)
  • Vivat onz’ Piottekes, Mieke Pruimemond, Als een meisje ‘s Maandags preutelt, ‘t Is Pasen en de zon zit uit, kluchtliederen. (1908)

Proza

  • De Hunnen in het Hageland, schets. (1916)
  • De zeg van Hans onversaagd e.a. vertellingen. (1906)
  • Een berechting bij de Zusterkes der armen. (1904)
  • Een rooske van Overzee. 1904
  • Hoe Sinte-Odrada ter bedevaart reed en andere vertelsels. (1906)
  • Nicolas Defrecheux, de waalsche volksdichter. (1900)
  • Ter herinnering aan Alfons, Marie, Joseph Belpaire. (1904)
  • Twaalf vertelsels op zijn Limburgs. (1906)
  • Uit eigen land, Hendrik en Scholtes en Bert Bart, schetsen, verhalen en novellen samen met andere Vlaamse schrijvers (1913)
  • Vertellingen uit Limburg. Met vijftig penteekeningen van G.-F. Wallaert. (1923)

Toneel

  • Boerke Naas en de roover; Kluchtige tweespraak naar het liedje van Guido Gezelle (1906)
  • Burgemeester Gheys voor ‘t Paradijs, toneelspel in drie bedrijven. (1915)
  • De Decoraties, kluchtspel. (1894)
  • De droom der krijgsgevangen, vaderlandse frats in één bedrijf. (1915)
  • Het feestboek van Sulleghem, blijspel in drie bedrijven. (1915)
  • De molenaar van zorgeloos, klucht in twee bedrijven. (1893)
  • Het Communiekantje, drama in één bedrijf. (1902)
  • Het schoothondje der koningin. Kluchtig spel in drij bedrijven met zang. (1904)
  • Knepen en streken van van Scapijn, blijspel in drie bedrijven, vrij bewerkt naar Molière. (1906)
  • Lievekes kloeke vrijer, klucht in één bedrijf. (1904)
  • Morgenlandsche persiken. Klucht in één bedrijf opnieuw bewerkt. (1908)
  • Onze Mina, klucht in twee bedrijven. (1915)
  • Sint-Chrysolius of de eerste martelaar van Vlaanderen. (1882)
  • St.-Evermarus, mysteriespel uit de 10de eeuw, bewerkt en vernieuwd door A.Cuppens. (1924)

Vertalingen

  • Geschiedenis der heilige Elisabeth van Ungarn, landgravin van Duringen (1207-1231) 1896 Oorspronkelijke auteur: graaf de Montalembert.  Vertaald door de EE. HH August Cuppens en Guido Gezelle en met penteekeningen versierd door Jos. Damien.
  • Vertaalde ook de poëzie van Gezelle naar het Frans.