home | Inloggen
Aantal schrijvers: 536 | Aantal boeken:

15559

Bergmann, Tony

Maakt deel uit van: ,

 

ANTON BERGMANN

Berghmann 0

Lier, 29 juni 1835 – Lier, 21 januari 1874

Prozaschrijver

Eig. Antonius Josephus Georgius Franciscus

  • Ligt in Vlaanderen aan de basis van een nieuw literatuurbesef en vertegenwoordigt een tweede rijpere fase van het realisme in de Vlaamse literatuur. (Andere realistische schrijvers zijn de gezusters Loveling, Wazenaar, Raymond Stijns en Isidoor Teirlinck).
  • Als vermogend en gecultiveerd patriciër schrijft hij niet langer met educatieve, moraliserende, volksverheffende doelstellingen, maar eerder voor zijn genoegen en creatieve drang.
  • Eén uitzondering is zijn moraliserende tirade tegen goklust in het verhaal ‘Op St. Niklaasdag’ (1873). Overigens niet zoveel verschillend van August Snieders ‘roman ‘De speelduivel’
  • Nieuw bij Bergmann is het ontluikend esthetiserend gevoel, een vleugje artisticiteit waarmee hij de werkelijkheid benadert, niet langer zoals Domien Sleeckx haar enkel fotografisch observeert.
  • Dit ‘poëtisch realisme’ heeft een luchtige, speelse stijl die sterk contrasteert met de stroeve taalbehandeling van zijn voorgangers.
  • Zijn werk kan worden opgedeeld in een historisch en een literair gedeelte.

 

BIOGRAFIE

29 juni 1835: Anton Bergmann werd geboren te Lier als zoon van de liberale Lierse burgemeester George K.L. Bergmann jr. zelf en auteur van ‘Uit vader Bergmann’s gedenkschriften’ (postuum 1895)

  • Al van kindsbeen af was hij  met het liberale gedachtengoed vertrouwd.
  • Hij liep lagere school in zijn geboortestad, aan de stadsschool van Meester Van Rompaey.
  • Daarna volgde hij  lagere Latijnse klassen aan het Lierse stadscollege.

1849 – 1853: Nam plaats op de banken van het stedelijk atheneum te Gent

  • Hij toonde er zich als een groot liefhebber van de Nederlandse letteren.
  • Met enkele vrienden (o.a. Julius Vuylsteke ) vormde hij er een studentenclubje dat zich, naast het traditionele drinken, roken en zingen, ook bezighield met de toenmalige taalproblematiek.
  • Hier werd de kiem gelegd van wat later het romantisch-flamingant “Taalminnend Studentengenootschap”  zal worden, met de kenspreuk  “t Zal wel gaan”, een liberaal georiënteerde vereniging die de beoefening van de Nederlandse literatuur en de verdediging van eigen taal tot doel had.

1853: Werd student aan de Universiteit van Gent. Hij legde er de kandidaats-examens af in de letteren en wijsbegeerte, de rechten en het notariaat.

Zijn literair talent blijkt uit de verschillende publicaties:

In de ‘Gentsche studenten almanakken’ van “’t Zal wel gaen” en in de ‘Gentsche jaarboekjes’ leverde hij vele bijdragen onder het psd. Tony, zoals: Fragment; De eerste liefde van Frans; Eene ware Geschiedenis; Eene schoone partij, enz.

  • Voorts in Noord en Zuid, 1856: Op de kermis (1856);
  • In het door Lieven Rens uitgegeven Nederduitsch letterkundig jaarboekje verschenen o m drie novellen: Brigitta, Op St.-Niklaasdag en Mariette la Bella.

1854: Het genootschap trad voor het eerst naar buiten met het “Jaarboekske voor 1854” met daarin zijn eerste publicatie: Eenige bladzijden uit het leven der vlooien’, waarvan de titel ConsciencesEenige bladzyden uit het boek der natuer’ parodieert.

  • Hierin steekt hij studentikoos de draak met de Franse aanmatiging ten aanzien van Vlaanderen, een aanmatiging die naar zijn mening sterke parasitaire trekken vertoont.
  • Zijn luimig verslag van de veldtocht  der Franse vlooien tegen enkele weldoorvoede Vlaamse studenten is ook een satire op de Vlaamse historische roman, waar menig auteur nogal eens de neiging heeft om zijn historische kennis te etaleren in een overvloed van pseudo-geleerde voetnoten.

Zijn literair talent blijkt uit de verschillende publicaties in diverse tijdschriften- :

  • In de ‘Gentsche studenten almanakken’ van “’t Zal wel gaen” en in de ‘Gentsche jaarboekjes’ leverde hij vele bijdragen onder het psd. Tony, zoals: Fragment; De eerste liefde van Frans; Eene ware Geschiedenis; Eene schoone partij, enz.
  • Voorts in ‘Noord en Zuid’, 1856: Op de kermis (1856);
  • In het door Lieven Rens uitgegeven ‘Nederduitsch letterkundig jaarboekje’ verschenen o m drie novellen: Brigitta, Op St.-Niklaasdag en Mariette la Bella.

1855:De Meulenaer’ of meikever. Antropomorfiserend opgevat met de bedoeling om vanuit het perspectief van een insect een weinig vleiend beeld op te hangen van de species mens.

  • Met een flinke schep ironie wordt de Vlaamse roman en zijn vaak volkse personages door de mangel gehaald.
  • Wanneer men in het Vlaams schrijft zo stelt hij, moet men altijd “zijne helden uit de volksklas kiezen, en ze Jan of Mietje noemen, wil men in den trant der hedendaagsche Vlaamsche schrijvers blijven: zij zijn immers zeker door geene sénateur of duchesses gelezen te worden” (‘Verspreide schetsen en novellen door Tony, 1875)

1856:  ‘Eene ware geschiedenis’ overwegend humoristisch en badinerend van toon. De avonturen van een uil onder kostschooljongens.

De eerste liefde van Frans’ is een verhaal waarin het Liers begijnhof een belangrijke plaats van handeling is.

  • Men kan dit verhaal beschouwen als een gedeeltelijke voorafbeelding van ‘Ernest Staes’
  • Met subtiele pen tekent de auteur het verloop van de onbevangen puberliefde en toont daarnaast de lachwekkend-krampachtige reacties van de 19de eeuwse volwassenen.
  • Kritische observatie en relativerende humor houden elkaar in evenwicht.

Op de kermis’

  • Een ludiek verhaal van ene mislukte poging van bekrompen burgers om een van hun dochters te koppelen aan een verre bloedverwant die daarvoor op de kermis wordt uitgenodigd.

1857:Eene schoone party’ een sarcastisch relaas van een karikaturaal huwelijk aangegaan uit berekening.

  • Sarcasme, ironie, lak aan sjablonen type Conscience, schrijven vrij van de geijkte 19de eeuwse eisen van de didactische letterkunde , we vinden het allemaal terug in zijn vroegste stukjes, geschreven in een periode toen het traditionele patroon van de Vlaamse 19de eeuwse literatuur nog volop domineerde. Klassiekers van Conscience als Baas Ganzendonck, De loteling, Blinde Roza, De arme edelman, Rikke-tikke-tak en De Boerenkrijg dateren allen van de periode 1850-1853

1857: De studie “Philips van Marnix van Sint Aldegonde, plundering der hoofdkerk van Lier“.

Na dit jeugdwerk is het wachten tot 1870 vooraleer de auteur weer literair actief wordt.

1957: Op verzoek van zijn vader richtte Anton Bergmann in 1857 het liberale weekblad De Lierenaar op. Vanaf 1 januari 1857 tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verscheen het blad iedere zondag. Anton Bergmann nam zeventien jaar lang de redactie van het liberale weekblad op zich.

  • Het was het eerste ideologisch gekleurde nieuwsblad in de stad. Het bracht uitgebreide binnen- en buitenlandse berichtgeving, verslaggeving over werkzaamheden van het parlement, provincie- en gemeenteraad, markt- en beursberichten, aankondigingen, feuilletons en uurtabel van treinen en omnibussen.

1858: Volgde enige tijd de lessen aan de Vrije Hogeschool van Brussel waar hij in 1858 promoveerde tot doctor in de rechten.

1858: Vestigde zich als advocaat te Lier.

Hij had een  drukke praktijk die heel wat tijd in beslag nam en veel vergde van zijn niet zo sterk gestel. Toch vond hij nog tijd voor literair werk en geschiedkundige opzoekingen.

  • Trad in het huwelijk met Eliza Van Acker. Uit dit huwelijk werd een dochter geboren.

Anton Bergmann woonde in “De Sevensterre” (Grote Markt 33) en vader George Bergmann in “De Gulden Leeuw” (Grote Markt 34 en 35).

Na zijn dagtaak begaf Anton zich dikwijls naar zijn landgoed ‘Nazareth’, dat vlakbij de stad in een kromming van de Nethe lag.

  • Van het buitenverblijf  zijn alleen fraaie ansichtkaarten overgebleven. Het werd tijdens de Eerste Wereldoorlog volledig vernield. Het was een ruime woning met witte gevel met rondom keurig onderhouden groen, een vijver met bruggetje en palmen in kuipen. Achter tegen het spoor aan bevond zich een open ruimte voor een kudde damherten. Het was een heerlijke plek, een oase van rust waar niet alleen het gezin, maar al wie er kwam met plezier toefde. Nazareth was de gedroomde plek om de Vlaamse intellectuele vrienden en letterkundigen te ontvangen.

1870: Publicatie van zijn twee “Rijnlandsche novellen“, waarin zijn humor en geestige opmerkingsgave tot uiting komen.

  • Beide teksten verwerken de reisimpressies van een vakantietrip die hij in de herfst van 1867 en 1868 onderneemt langs de boorden van de Rijn. Ze bezitten dezelfde losheid van stijl en rake opmerkingsgave, maar steken compositorisch beter in elkaar.
  • Mogelijk is er het voorbeeld van de Franstalige Zwitserse auteur Rodolphe Töpffer (Voyage en zigzag, 1844) die toen heel populair was, maar van navolging of beïnvloeding kan men eigenlijk niet spreken.
    • Othilie Schmetterling, of acht dagen in een duitsch kosthuis” is een vlot lezende mengeling van rake typeringen van kostgangers in een kosthuis aan de voet van het Siebengebirge en reisimpressies. Een in mineur eindigende idylle tussen een vlinderachtige jongedame, een schwärmertype dat perfect harmonieert met de romantische natuur van de Drachenfels, biedt tevens aan de realistische ik-verteller de mogelijk tot relativerende distantie.
    • Fraulein Louise”  is kunstiger van opbouw en heeft als centrale verhaallijn een dubbele liefdesrelatie. Maar dat verhaal wordt gelardeerd met de nodige sightseeing. Bergmann toont zijn waardering voor romantiek en volksgeest, maar wordt er niet door verzwolgen. Steeds weer wendt hij als realist de blik naar zijn eigen tijd, interesseert zich voor de Duitse eenmaking op basis van liberale vrijheidbeginselen eerder dan naar Pruisisch model.

1872: “Brigitta” “eene zwitsersche herinnering”.

Een harmonieuze mengeling van ernst en scherts. Zijn best geslaagde reisnovelle.

Ondanks de indeling in 4 hoofdstukken, naargelang de locatie, is het in feite een drieluik

  • Deel 1: de ik-verteller schetst een genuanceerd portret van zijn reisgezel, een Amerikaan, deels sympathiek, deels onsympathiek, deels robuust en deels dandy-achtig. Voor hem betekent geld alles en Amerika zal dank zij zijn gouden dollars Europa onttronen. In zijn gezelschap leerrt de ik-verteller het titelpersonage kennen: een ongekunstelde landelijke schoonheid.
  • Deel 2: Het ik-personage ontdekt alleen en als bij toeval Brigitta’s woonst, waar haar vader hem het ideaal voorhoudt van een ongeschonden landelijk bestaan.
  • Deel 3: Brigitta brengt die trouw in praktijk, door de Amerikaan die haar wil verleiden en meetronen, een ferm blauwtje te laten lopen.

De moraal van dit verhaal –de Amerikaanse materialistische veroveringsdrang vermag niets tegen een bestaan gebaseerd op echte levensvoorwaarden- wordt op een erg komische wijze gebracht. Bergmann brengt een oubollige Vlaamse toerist ten tonele, die een warrig verhaal afsteekt en niet veel van de ware toedracht begrijpt. Meer nog door de vragen en reacties van de ik-verteller vreest hij zelf “aan eenen ondeugenden Amerikaan te zijn ontsnapt, om in nog gevaarlijker handen van eenen halfgekken Vlaming te vallen”.

1873: Publicatie van zijn volumineuze 600 bladzijden tellende “Geschiedenis van Lier“, waaraan hij sinds de jaren 1850 had gewerkt.

Februari 1873: Twintig ondertekenaars onder wie George en Anton Bergmann vroegen het Algemeen Bestuur van het Willemsfonds om in Lier een afdeling op te richten. In november van hetzelfde jaar had de oprichtingsvergadering plaats onder het voorzitterschap van Anton Bergmann.

Ondertussen leed hij al aan de slepende ziekte waaraan hij veel te vroeg zal overlijden. Zijn gezondheidstoestand beterde niet terwijl hij aan zijn hoofdwerk “Ernest Staas” werkte.

1874: Publicatie van “Ernest Staes, advocaat”  onder de schuilnaam “Tony”.

  • Het boek werd in ‘Noord en Zuid’ zeer gunstig onthaald. Ook zijn vriend Nicolaas Beets (alias Hildebrand), voor wie Anton Bergmann een grote bewondering had, was vol lof. De brief waarmee de lofbetuigingen werden overgemaakt, kreeg hij echter niet meer te lezen. Hij lag op sterven. Het werk, bevattende twaalf semi-autobiografische schetsen, werd lange tijd beschouwd als de Vlaamse “Camera Obscura” en de schrijver als een Vlaamse “Hildebrand”. Doch is er een verschil : bij Tony overheerst een sociale verbondenheid die bij Hildebrand ontbreekt. Nicolaas Beets omschreef het werk in de volgende bewoordingen : “Het is waarheid en leven, geest en gevoel, fijnheid van tekening en losheid van trek, juistheid van opvatting en schilderachtigheid van uitdrukking…”.

1874: Marietta la bella

  • In deze laatste reisschets verschijnt voor het eerst Venetië in de Vlaamse literatuur in een poëtische bekoorlijkheid.
  • Wat Van Kerckhoven in zijn italianiserende verhalen over de dogestad schreef maakt hierbij vergeleken een vlakke indruk.

21 januari 1874 : Anton Bergmann stierf te Lier op 39-jarige leeftijd.

Zijn grafmonument bevindt zich op het Oude Kerkhof (ook oude begraafplaats genoemd) aan de Mechelse Steenweg te Lier.

tony-bergmann-graf-a        tony-bergmann-graf-b   eigen foto’s

Epiloog

17 juni 1875 : Bij Koninklijk Besluit werd aan Mr. Anton Bergmann de vijfjaarlijkse prijs van Nederlandse Letterkunde voor het tijdvak 1870-1874 toegewezen.

1898: Na jarenlange voorbereiding werd te Lier zijn gedenkteken onthuld.

  • Dit was één jaar na de plaatsing van het beeld van de letterkundige en historicus Jan Baptist David aan de Sint-Gummaruskerk. Het borstbeeld en de beelden van de kleine Bertha en Ernest, figuren uit zijn roman Ernest Staas, zijn van Antwerpse beeldhouwer Frans Joris.
  • De onthulling onder leiding van de lokale Willemsfondsafdeling ging gepaard met grootse feesten. Max Rooses sprak de gelegenheidsrede uit. Een koor van 250 zangers voerde een gelegenheidscantate van Peter Benoit uit op tekst van Emmanuel Hiel, een praalstoet met 210 verenigingen trok door de Lierse straten en meer dan duizend muzikanten namen deel aan een muziekfestival in de binnenstad.
  • De stadswandeling, de straat er parallel mee en de verderop gelegen school zijn naar Anton Bergmann genoemd

MEER OVER ANTON BERGMANN

Algemeen

  • Oosthoek Lexicon Nederlandse en Vlaamse Literatuur. Utrecht/Antwerpen: Kosmos-Z&K Uitgevers.
  • De Ceulaer, J. 1985. ‘Anton Bergmann’. In: De Nederlandse en Vlaamse auteurs. Van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. Ed. G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse. Weesp: De Haan.
  • Leeuwen-Canneman, M.C. van. 1988. Inventaris van het archief van de familie Vosmaer, 17e-20ste eeuw. ‘s-Gravenhage: Centraal Register van Particuliere Archieven. 198 p.
  • Paul Fredericq: Tony, in: Gentsche studentenalmanak voor 1880, (s.d.), p. 61
  • Max Rooses: Tony, in: Schetsenboek (1877), p. 248-253
  • Oscar van der Hallen: Tony Bergmann, in: Vlaamsche Arbeid (1927), p. 310-320 ; (1928), p. 30-41; (1929), p. 192-200
  • Omer van Audenhaeghe: T. Bergmann, in: Vlaamsche gids, jrg. 22 (1931-1932), p. 385-403
  • Oscar van der Hallen: Anton Bergmann, in: Nationaal biografisch woordenboek, dl. 1 (1964), p. 168
  • Jean Weisgerber: Anton Bergmann, in: Biographie nationale, dl. 29 (1956-1957), p. 272-274
  • Ger Schmook: T. Bergmann op de draaischijf van zijn generatie, in: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (1978), afl. 1, p. 104-147; afl. 2, p. 149-184

 

GERAADPLEEGDE BRONNEN

Websites

Referenties

  • STYNEN LUDO,  De taal was gans het volk. Biografie Anton Bergmann.
    Antwerpen, Manteau, 2006. Gebrocheerd, in-8, 480 pp. met bibliografie en register. Enkele buitentekstplaten in ZW.  Stynen levert diepgaand werk en plaatst het leven van AB tegen de achtergrond van de 19de eeuwse cultuur en politiek.
  • WAUTERS, K., Het Vlaamse fictionele proza van Conscience tot Loveling. In: Hoofdstukken uit de geschiedenis van de Vlaamse letterkunde in de 19de eeuw. Deel 1. P258-263. 1999 KANTL Gent.
  • PIET COUTTENIER, Anton Bergmann: een uitzondering, pp 69-82 in: in: Karel Wauters (red.), Verhalen voor Vlaanderen. Aspecten van het Vlaamse fictionele proza tot aan de Tweede Wereldoorlog. Uitgeverij Pelckmans, Kapellen. 308p.

 SMAAKMAKER

DE OORDJESSCHOOL

Juffrouw Monnier hield er, op de hoek van het “Hemdsmouwken”, – schilderachtige naam voor een begijnhofstraatje ! – in een vervallen huisje met kleine ruitjes, vooruitspringend dak en bouwvallige arduinen trap, een soort van gesticht, dat zij haar “Etablissement pour l’éducation des deux sexes” noemde.

Wij heetten het eenvoudig “de oordjesschool” en, ondanks de hoogklinkende Franse naam, was het, naar oud gebruik, met de oordje op te halen, dat elk dag de werkzaamheden begonnen.

Men leerde er spellen in “Kruisken A”: Kruisken A, Kleine a, Bé, Cé, Dé, E, eFfe, Gé, Hoâtse, I, lange J, Ka, eLle, eMme, eNne, O, Pé, Qu, eRre, eSse, té, U, uwe, dobbel uwe, eXau, Yau, Zittau, lezen in “de hele en halve geschrifte”, catechismus opzeggen, fabeltjes voordragen, maar vooral rijgen en buigen, “serviteurkens “ en “servantjes” maken.

Tante, die vond, dat ik te groot en te ongedurig werd, en de tijd van leren aankwam, koos in haar hoge wijsheid, de oordjesschool uit, om er mijn eerste opleiding te ontvangen.

Me dunkt, ik zie de lange juffrouw Monnier nog op de drempel staan, met haar grote schuithoed op, haar gebloemd kleed aan, en haar geducht “reglet” in de hand, toen ik schuchter en blode, vastgeklampt aan de mantel van Tante, de bouwvallige trap opstapte.

“Op de vierde bank !” riep “Mamesel”, die mij van Tante losrukte, met de arm voortduwde en nederzette te midden van een troep bengels, jongens en meisjes, die tierden en raasden, schreeuwden en gilden, dat mij horen en zien vergingen.

Voor zijn welkom roofde men de nieuwe zijn pet, trok hem met de kiel, greep hem bij de haren, zodanig dat ik, gepijnigd en bevreesd, luidkeels aan ’t wenen ging;

“Ha daar zijn krijsers in de school,” riep de meesteres, rood van gramschap, “we zullen hun dat wel afleren.”

Met een stap stond zij aan mijn zijde, trok mij zonder meer omslag uit de bank, en voor ik nog tijd had een woord te uiten, zat ik in een soort hoekschapraai onder de trap, die tot “kot” diende, en waarmede ik later nog meermaals kennis heb gemaakt.

Zo ondervond ik van het eerste uur, hoe bitter de beginselen der wetenschap zijn, in afwachting, dat ik ooit eens verneme, hoe zoet de vruchten er van smaken.

Doch die beproeving, klaarblijkelijk “onrechtvaardig” ondergaan, bleef niet zonder beloning.

Aan het “in ’t kot zitten” scheen het burgerschap onder de scholieren verbonden. Ik had het doopsel des bloeds ontvangen, en toen ik een half uur later, met rood bekreten ogen, opgestroopte kiel, snikkend en snokkend te voorschijn kwam, juichten de ondeugende snaken mij toe. Ik werd als hun makker opgenomen, en voortaan kenden wij op school geen andere vijand meer dan “Mamesel”.

Uit: Ernest Staes, advocaat. 1874 (z.j.)

BIBLIOGRAFIE

De bibliografische gegevens werden onder meer nagekeken bij

  • Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience  – Antwerpen
  • Koninklijke bibliotheek van België – Brussel / Bibliothèque Royale de Belgique – Bruxelles
  • Ludo Stynen, De taal was gans het volk – bibliografie pp. 450-451

Chronologisch overzicht

Jaar Titel Fotogalerij Uitgeverij 1ste druk
1854 Eenige bladzijden uit het leven der vlooien. In: Jaarboekske voor 1854. Gent: Taalminnend Genootschap onder kenspreuk ‘t Zal wel gaan. pp. 55-
1855 De meulenaer. (novelle) In: Studentenalmanak. Gent: Taalminnend Studenten-Genootschap onder kenspreuk ‘t Zal wel gaan, 1855, pp.121-128
1856 Eene ware geschiedenis. (novelle) In: Studentenalmanak [Gent] Taalminnend Studenten-Genootschap onder kenspreuk ‘t Zal wel gaan, 1856 pp.183-190
1856 Op de kermis. (verhaal) In: Noord en Zuid.Academische Mengelingen. s.l. 1856, pp.110-123.
1856 De eerste liefde van Frans. (novelle) In: Studentenalmank [Gent]: Taalminnend Studenten-Genootschap onder kenspreuk ‘t Zal wel gaan 1856, pp.73-82
1857 Eene schoone party. (verhaal) In: Studentenalmanak. [Gent]: Taalminnend Studenten-Genootschap onder kenspreuk ‘t Zal wel gaan, 1857, pp. 108-119
1857 Philips van Marnix van St. Aldegonde: plundering der hoofdkerk van Lier. Een geschiedkundig punt toegelicht door Anton Bergmann. (studie) Lier: E.J. Van Mol. -22p.
Ook opgenomen in: Lier vroeger en nu II (1928), 9, pp.95-113.
1870 Twee Rijnlandsche novellen. (novelle)
Oorspronkelijke titel: “Twee reisnovellen van den Rijn” (eveneens onder het pseud. Tony).
Bevat: Othilie Schmetterling of acht dagen in en Duits pension (Een verhaal uit het Siebengebirge); Fräulein Louise. Eene novelle van den Boven-Rijn.
Haarlem: Uitgever L. De Cort -68p.
Reeks: Bibliotheek der fraaie letteren 2
1872 Brigitta, eene zwitsersche herinnering. (novelle)

1900: Heruitgegeven als nr 1 van Flandria’s Novellenreeks onder de titel ‘Brigitta’ Bij Gent, Uitgeversmaatschapp ij “Flandria” -40p. Afmetingen:  20.70 x 13.70  (ingenaaid)  Omslag: G. Geirnaert – Drukkerij Geirnaert-Vandesteene, Gent.
Berghmann 10
In: Nederduitsch letterkundig jaarboekje voor 1872, pp. 68-91.
1872 Geschillen van Lier met Antwerpen en Brussel. In: De Vlaamsche School, 1872, pp.116-118.
1873 Geschiedenis der Stad Lier. (studie)
“Met (lithografische) platen naar teekeningen van J.B. de Weert, bestuurder der Academie van Lier”
Lier & Mechelen: J. Van Mol / Antwerpen: J.-E. Buschmann. -678p.
1873 Op St-Niklaasdag. (novelle) In: Nederduitsch letterkundig jaarboekje voor 1873, pp.88-107.
1873 Eerste inval der Franschen te Lier. In: De Vlaamsche School. 1873, pp. 6-7.
1873 De Fransche Republiek te Lier In: De Vlaamsche School. 1873, pp. 19-23.
1873 Eene bijdrage tot de geschiedenis van het onderwijs. In: De Toekomst 873, pp.294-302
1873 De Oordjesschool. (Brok uit een werk dat nog geenen titel heeft) In: De Toekomst 1873, pp. 477-186
1874 ‘De geuzen der XVIe Eeuw’ In: Geuzenalmanak voor 1874 s.l. Buschmann, 1873 pp.15-26.
1874 ‘Geuzen van onzen tijd’ In: Geuzenalmanak voor 1874 s.l. Buschmann 1873 pp.57-62
1874 Ernest Staas, advocaat: schetsen en beelden. (als Tony).
Illustratie: sterkwaterplaten van W. Geets.
1875: tweede druk
Gent: Ad.Hoste. -177p.
1874 Mariette la Bella. Venetiaanse humoreske. (novelle) In: Nederduitsch letterkundig jaarboekje voor 1874, pp.112-130
  POSTUUM
1874 ‘Un nouveau Salomon’ In: Revue de Belgique 15 september 1874 pp. 31-36
1875 Verspreide schetsen en novellen door Tony.
Red. Prof. J.F.J. Heremans.
Gent: Ad.Hoste. -391p.
1880 ‘Leven en lotgevallen van Jan Stoppelaars’ (fragment van een onuitgegeven novelle) Bezorgd door P. Fredericq Gent: Annoot-Braeckman.
Ook in: Genschen Studenten-almanak voor 1880: 61-81.
1885 Hij was de vader Van Klaas Bergmann.
1998 ‘Brieven van en aan Anton Bergmann’.
Bezorgd door Ludo Stynen.
In: Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap XIV, 1998, pp.55-88.
2005 ‘Kinderen en volkse types. Eenige Liersche vermaerdheden. Onuitgegeven schets van Tony.
Bezorgd door Ludo Stynen
In: J. Deckers (red.): Het witte huis. Jaarboek 2005 van Felix-Timmermans Genootschap Lier, 2005, pp.71-74.

 

HERUITGAVEN VAN ERNEST STAAS (1874) – Onvolledig

Jaar Titel Fotogalerij Uitgeverij
1914 Ernest Staas, advocaat: schetsen en beelden. (als Tony).
Met levensschets door Dr. J.F.J. Heremans en met eene voorrede van Pol de Mont.
14de druk
Met (opgeplakte) platen van Walter Vaes
De uitgave werd hernomen in 1915 (15de druk), 1917 (16de druk), 1919 (17de druk) en 1921 (18de druk)
Amsterdam: S.L. Van Looy. -227p.
Afmetingen: 30.40 x 22.80 (ingenaaid) – bestaat ook als hardcover vollinnen,ingenaaid. Er is ook een versie met opdikkend papier.
Druk: Drukkerij J.E. Buschmann, Antwerpen.
1943 Ernest Staas (advocaat)
Door Tony (Mʳ Bergmann)
Met een voorrede van Felix Timmermans: Tony Bergmann en Lier en een levensschets van den auteur door Dr. J.F.J. Heremans
Met reproducties naar de oorspronkelijke etsen van W. Geets.
Antwerpen: N.V. Het Kompas. -204p.
Afmetingen: 18.40 x 11.40 (ingenaaid)
Reeks: Elfde feniksreeks nr 1
Drukkerij Scheerders – Van Kerckhove, N.V. , St. Niklaas
Toelatingsnummer : 5654
1943 Ernest Staas (advocaat)
Door Tony (Mʳ Bergmann)

Met een voorrede van Felix Timmermans: Tony Bergmann en Lier en een levensschets van den auteur door Dr. J.F.J. Heremans
Met reproducties naar de oorspronkelijke etsen van W. Geets.
Antwerpen: N.V. Het Kompas. -204p.
Afmetingen: 18.40 x 11.40 (gebonden – harde gemarmerde kaft)
Reeks: Elfde feniksreeks nr 1
Drukkerij Scheerders – Van Kerckhove, N.V. , St. Niklaas
Toelatingsnummer : 5654
1943 Ernest Staas.
Door Tony (Mʳ Bergmann)
Bandomslag ven Antoon Herckenrath
Antwerpen: N.V. Het Kompas. -205p.
Afmetingen: 19 x 12.90 (ingenaaid)
Druk: “Sobeli” N.V., 23-25, Kogelstraat, Brussel – Tel. 11.76.25. E. J. Havet, 19, Jupiterlaan, Vorst-Brussel.
Toelatingsnummer : 5654
1954 Ernest Staas, advocaat: schetsen en beelden.
Ingeleid door Bert Decorte.
Met korte levensschets van Anton Bergman.
Achteraan in het boek: tekst- en woordverklaringen.
Mooie tekeningen van Eugène Hermans
Antwerpen: C. De Vries-Brouwers. -xi+-200p.
Hardcover – gebrocheerd.
z.d. Ernest Staas.
Door Tony Bergmann
Verantwoordelijke uitgever: Camille Saint-Martin, 49, Ierlandstraat, Brussel.
Brussel: De Centrale Uitgeversmaatschappij, 11, Kunstlaan te Brussel. -63p.
Reeks: Leeslust reeks
Afmetingen: 23.40 x 17.40 (geniet)
Gedrukt in twee kolommen.
Drukkerij: De persen van de “Société Anonyme Belge d’Edition”
Leeslust uitgave
1960 Ernest Staas, advocaat: schetsen en beelden. (als Tony).
Met een inleiding door Dr. C. De Baere.
Omslagillustratie: Leynen.
Tiende uitgave
Ook 1969: 12de druk
Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel. -128p.
Afmetingen: 22.80 x 15.50 (ingenaaid)
1974 Ernest Staas, advocaat: schetsen en beelden.
Inleiding door Bert Decorte.
Verlucht met pentekeningen
Jubileumuitgave
Herdruk van een uitgave van 1953 in een vereenvoudigde spelling.
Antwerpen: C. De Vries Brouwers P.V.B.A. -200p.
Afmetingen: 22.30 x 14.80 (twee versies: ingenaaid – slappe kaft  & gebonden harde linnen kaft met stofomslag)

 

HERUITGAVEN VAN RIJNLANDSCHE NOVELLEN (1870)

Jaar Titel Fotogalerij Uitgeverij
1873 Twee reisnovellen van den Rijn door Tony
Noordnederlandsche Uitgave onder toezicht van Dr. J. Van Vloten.
Haarlem: Uitgever W.C. de Graaff.
1875 Twee Rijnlandsche novellen.
In: Verspreide schetsen en Novellen door Tony.
Tekstbezorging Prof. J.F.J. Heremans
Gent: Ad. Hoste
1906 Twee Rijnlandsche novellen. Brugge: Uitgever C. Moeyaert.
1935 Rijnlandsche novellen
Gepubliceerd onder de naam Tony Bergmann
De penteekening op het titelblad, de lettrijnen en sluitstukjes zijn van Felix Timmermans.
Opgepast !  Er bestaan van deze herdruk fotografische drukken met harde kaft. Deze bevatten evenwel niet het colofon.
Amsterdam:  Wereldbibliotheek-vereeniging. -73p.
Afmetingen: 23.40 x 15.50 (ingenaaid – kaft met flappen)
Colophon: Van dit boek werden in het najaar van 1935 drie duizend twee honderd exemplaren gedrukt voor de leden der W.B.-Vereeniging, benevens vijf en twintig genummerde exemplaren. Het werk is gezet uit de Futura-letter en geheel verzorgd in de werkplaatsen der Wereldbibliotheek. Het papier voor de exemplaren der W.B.-Vereenigingsleden is naar bijzonder voorschrift vervaardigd van houtvrij stof; het omslag is simili-japon der Koninklijke Papierfabrieken Van Gelder Zonen. De genummerde exemplaren 1 – 25 zijn gedrukt op Antiekdruk “Ossekop” van de Koninklijke Papierfabrieken Van Gelder Zonen.