home | Inloggen
Aantal schrijvers: 547 | Aantal boeken:

15793

Notities van een boekenwurm 1

‘Dicht bij Elsschot’ – expo in het Letterenhuis Antwerpen – tot 31 dec. 2010

 

Nu, de tentoonstelling heeft me zeer gecharmeerd. Je treedt binnen in een gedempte bijna huiselijke sfeer. Grote ouderwetse ‘lampadairs’ zijn verspreid over het hele parcours. Ga eronder staan en je ziet en hoort allerlei interessante, amusante informatie. Huiselijkheid ook met Elsschot’s zetel, foto’s van zijn interieur in de Lemméstraat, vakantiefilmpjes in St Idesbald. Ellschot als familieman, met vrouw en kinderen stoeiend, familiefeestjes.

Je leest ook allerhande over zijn zakelijke besognes. tenslotte was Elsschot onder zijn echte naam De Ridder een gewiekst zakenman. En je ziet en leest allerlei over zijn romans, verhalen, gedichten. Kortom, een tentoonstelling met etiket: ‘vaut le détour’.

Maar dit wist iedereen al.

Toch blijft iets me intrigeren, dat wellicht voor altijd Elsschot’s geheim zal blijven. Hoe zit dat nu precies ? Die relatie van de dagdagelijkse commerciële besognes van De Ridder en de commerciële wereld zoals Elsscho die beschrijft in zijn boeken ? Hoe stond hij als mens in de zakenwereld, hoe keek hij ernaar  en wat is er daarvan in zijn oeuvre geslopen ? Want één ding staat buiten kijf. Elsschot kon zijn persoonlijke ervaringen feilloos op een hoger algemeen menselijk vlak tillen. Elsschot blijft voor mij enigmatisch, en wanneer ik naar de filmpjes kijk op de tentoonstelling en ik zie de blik in Elsschot’s ogen, wordt ik daar niet wijzer van. De man blijft een sfinx.

De icoon Elsschot en deze tentoonstelling zijn elkaar waard. Het netwerk Elsschot wordt enigermate ontrafeld. Al die relaties met zijn gezin, maîtresses, het literaire wereldje, zijn commerciële mede- en tegenspelers, zijn schrijverschap. De tentoonstelling werpt er een blik op.

Een blik, een heldere blik, maar meer niet. Veel wordt getoond, niet alles wordt gezegd. Aanzetten genoeg, en als we er meer van willen weten, ga er maar achteraan, fair enough.

Zo wordt er niet uitgeweid over Elsschot’s escapades bij andere vrouwen. Enkel een sober briefje van zijn moeder, waarin wijze woorden over hoe een vrouw die boos is om die escapades, een vrouw is die hem liefheeft.

Het blijft allemaal burgerlijk correct, maar zo was Elsschot eigenlijk ook.

Werkelijk zo ? Elsschot had een close relatie met de  Vlaamse beweging. Lees er maar Brouwers ‘De schemer daalt’ (p.121-136) op na. Hij was goed bekend met de collaborerende schrijvers(sters), hield er een boeiende briefwisseling op na, maar hield zich als zakenman wijselijk en terecht op de vlakte. De tentoonstelling gaat hier maar zijdelings op in. Er is het gedicht ‘Gentsche groeten’  gericht, als hart onder de riem aan Daan Boens en er is de controverse over het Borms-gedicht.

Iets moet hem diep geschokt hebben in de executie van dr. Borms. Zo diep, dat hij voor één keer, uit verontwaardiging, zijn gereserveerdheid laat varen: hij schrijft zijn Bormsgedicht, en manoeuvreert het in de media. Hij gaat er heibel mee krijgen, hij weet het. En dit soort heibel kan hij als zakenmens eigenlijk best missen, ook dat weet hij. Maar toch gebeurt het. Heimelijk en beetje legt hij zijn ‘bom’ en wacht op het vuurwerk.

Kijk, hier heeft hij mijn hart gestolen. Niet dat het gedicht zo goed is, niet dat het om dr. Borms gaat, nee. Maar die -waarschijnlijk- impulsieve handeling, geheel in tegenstrijd met het nauwkeurig opgebouwde relatienetwerk, dit eruit stappen, dat vindt ik fascinerend aan Elsschot.

Ik heb niet zoveel van Elsschot gelezen. Aan ‘Villa des Roses’ heb ik goede herinneringen, en met ‘Het dwaallicht’ heeft hij mijn hart verovert. Naar aanleiding van de tentoonstelling, leg ik ‘Tankschip’ op de leestafel.

En, o ja. Eén van zijn gedichten figureert in mijn eigenste privé-compendium ”Lonely at the top poetry’ (niet enkel Vlaamse poëzie) nl. Het huwelijk’ (1910);

Het Huwelijk

Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
in d’ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.

W. Elsschot